LetterSpinsels

Topverhalen 2012

Hocus Focus Pas - Gerhard Pijnenburg

'Tien!'

Oei, begint het publiek nu al af te tellen? Dan moet ik opschieten. Het water begint in de weg te zitten, maar het moet nog steeds mogelijk zijn om mijn pols om te draaien, toch? Het had allang gebeurd moeten zijn, ik lijk trager te werken dan normaal. Of loopt het water sneller dan normaal naar binnen? Maar dat geeft niet, dat hoeft niet uit te maken. Er hoeft maar een hand los te komen, dan volgt de rest vanzelf.

'Negen!'

Misschien ben ik wel te veel afgeleid. Waarom zoekt Pjotr zo veel ruzie de laatste tijd? Is het om me uit mijn tent te lokken? Om me van mijn stuk te krijgen? Om ervoor te zorgen dat ik van hem wegloop? Snapt hij niet dat ik zielsveel van hem hou? Ik wil hem niet kwijt. O, ik wou dat het weer was zoals vroeger, dat hij me weer streelde zoals in het begin…

'Acht!'

Niet aan denken, niet aan denken. Ik moet eruit. Eerst mijn pols uit de klem en dan de rest. Zit de klem misschien anders dan normaal? Nee, ik had mijn pols om moeten klappen voordat het water er was. Nu… is… het… zoveel… moeilijker…

'Zeven!'

Gister nog was ik zo ontzettend lief voor hem. Geurkaarsjes gehaald en een lekker bad vol laten lopen, maar hij ging meteen slapen. Zou hij een ander hebben? Wie dan? We reizen de hele wereld over met ons drietjes en Laura is nou niet bepaald een bedreiging voor ons. Maar als ze samen wat bedisseld zouden hebben, dan zou het logisch zijn dat mijn pols niet uit de klem komt omdat zij die altijd vastmaakt achter mijn rug…

'Zes!'

Gelukt! Zie je wel, het ligt niet aan Pjotr of Laura, maar aan mij. Ik ben zelf niet scherp. Ik moet zorgen dat ik de rest van de routine zorgvuldig en geconcentreerd uitvoer. Rustig denken en snel doen. Het motto van iedere illusionist. Kom op nou!

'Vijf!'

Nu snel het sleuteltje opvissen uit de verborgen zak in mijn jasje. Hebbes! Ik mag ‘m wel stevig vasthouden, anders ben ik ‘m zo dadelijk kwijt. De tank is al helemaal gevuld met water, maar dat is geen probleem. Dat hoeft geen probleem te zijn.

'Vier!'

Ja! Het slot bij mijn voeten is los en ik kan de ketting afschudden. Precies zoals ik het zo vaak geoefend heb. Oefen ik niet te vaak? Geef ik Pjotr wel genoeg aandacht? Zou dat het probleem zijn? Maar ik zorg toch ook goed voor ons? Hij ligt iedere avond in een gespreid vijfsterren hotelbedje, op een nieuwe plek op de wereld. Geweldig, toch?

'Drie!'

Focus! Als laatste de knoop om mijn middel. Verdorie, die is wel heel erg doorweekt, zeg. Dat is moeilijker dan normaal. Of is hij door mijn gewriemel met de klem om mijn pols vaster komen te zitten? Daar moet ik eens wat vaker mee oefenen, met een drijfnatte knoop waar heftiger dan normaal aan getrokken is. Maar het moet nog steeds kunnen. Even schrap zetten, maar daarna kan ik waarschijnlijk mijn adem niet meer inhouden…

'Twee!'

Normaal gesproken ben ik nu al klaar, in afwachting van de 'Een!' om er uit te kunnen springen. Alleen die knoop... Beweegt hij nou al iets of lijkt het maar zo? Nee, zo vast als een huis en ik trek al met alle macht aan het touw. Oei, dit is toch wel een probleempje. Niet verslappen nu…Het water begint mijn neus al in te lopen. Ik voel het prikken. Blijf rustig, blijf rustig. Probeer nou nog een keer met beleid de knoop los te krijgen, dan ben ik er…

'Een!'

Hoe erg zou Pjotr het vinden als ik er niet meer was? Zou hij verdriet hebben? Zou hij spijt hebben dat hij de laatste tijd zo lullig is geweest? Misschien komt hij de tank zo wel in duiken om me los te rukken… Nee, dat is onzin. Het is de taak van Laura om de bak aan gruzelementen te slaan, maar gaat ze dat wel op tijd doen? Of doet ze dat pas als het al te laat is? Of is het dat al?

'Nul?'

De knoop glipt uit mijn vingers als het water in mijn mond stroomt. Ik wil hem weer pakken maar mijn lichaam lijkt op te geven, lijkt te passen… Nee, nu niet passen! Uit alle macht grijp ik nog naar de knoop, maar ik mis ‘m. Ik mis hem.

Hocus Focus Pas     © Gerhard Pijnenburg

Zoetzure appeltjes - Barbara Joy


Een colonne legervoertuigen uit de tweede wereldoorlog komt de dorpsstraat inrijden. Een tank, jeeps en trucks, allemaal dik in de matgroene verf. Ineens zie ik hem staan. Aan de overkant. Het is meer dan dertig jaar geleden, maar ik herken hem direct. Dezelfde onverschillige houding en korte nek. Zijn rode haar is bij de slapen grijs geworden en bovenop zo goed als verdwenen. Hij kijkt de laatste truck met openhangende mond na, zijn terugwijkende kin nog net zo week als toen. Ik kan me nog omdraaien. Weglopen. Maar ik doe het niet. Niet meer. Hij is groot, zie ik, maar kleiner dan in mijn nachtmerries.

Weggestopte beelden van die zomer uit mijn jeugd bespringen me. Met opgetrokken benen zit ik weer op de vloer van de werkplaats van opa. Ik ben verdiept in een van de dikke behangboeken die opa voor zijn klanten gebruikt. Met mijn vingers volg ik de lijnen in het papier. Behang met rozen in rood, geel en blauw. Wie wil er nu blauwe rozen op de muur? Die bestaan helemaal niet. Maar in het dorp van opa en oma zijn wel meer dingen anders dan thuis in Den Haag. Op de achterkant van ieder vel staan letters en cijfers, het eerste woordje is Rath. Evelien heeft ook een rat, een tamme. Omdat ik haar beste vriendin ben, mocht hem vasthouden. Lieve Evelien... Zij snapt natuurlijk niet waarom ik verdween en waar ik nu ben. Ik begrijp ook niet dat mama zomaar ineens ziek kon worden. Ziek in haar hoofd. Ze was nog gewoon mijn vrolijke mama toen ze me naar school bracht, maar ze kwam me niet meer ophalen. Zelfs opa weet niet wanneer ze weer beter zal zijn en naar huis mag.
In de hoek van de werkplaats beweegt iets. Ik hou mijn adem in en luister goed. Hoor ik daar gehijg? Ik weet het zeker. Iemand houdt me in de gaten. Mijn hart klopt als een razende. Zonder mijn hoofd op te tillen gluur ik over de rand van het behangboek. Johnny stapt tevoorschijn. Gelukkig. Het is mijn neef maar. Ik laat mijn adem los. Hij ziet een beetje rood, alsof hij koorts heeft. Met zijn handen in de zakken van zijn overall slentert hij naar me toe.
'Waarom keek jij zo stiekem naar me?'
Hij haalt zijn schouders op. 'Ben jij weleens in de kelder geweest?'
'Nee.' Ik klem het boek tegen me aan.
'In de oorlog hebben daar mensen gewoond.' Hij tikt met zijn voet op de vloer. 'Hieronder zijn echte ka-mers. Met ramen. En een wc.' Hij spuugt op de vloer en kijkt me strak aan. 'Dat wist jij niet, hè?'
'Oma heeft het weleens verteld,' zeg ik snel.
'Je logeert hier toch al een week? Dan wordt het tijd dat je die kelder te zien krijgt.' Hij doet een stap naar voren, pakt het behangboek uit mijn handen en trekt me overeind. Ik druk me tegen opa's werkbank, maar hij duwt me voor zich uit. 'Kom mee. Niet zo schijtig doen. Kun je meteen zien hoe je neefje kachelhout hakt.'
Naast de stelling met rollen behang is een deur met erachter een steile trap. 'Volg me maar,' zegt Johnny. Met mijn hand tegen de ruwe muur, daal ik voorzichtig af. Johnny loopt met zekere stappen, maar hij is ook twee keer zo oud als ik. Al zestien.
Beneden is het schemerig en ik moet opletten waar ik mijn voeten neerzet. Het ruikt naar schimmel, verf en oude boeken. Overal staan kisten, vaten, en ladders. Ik volg Johnny door een deur. We komen in een kale ruimte waar van boven, tegen het plafond smalle ramen zijn. Door de vuile ruiten zie ik een stukje van opa's kastanjeboom. In het midden van de kamer staat een hakblok met een bijl erin en in de hoek ligt een grote stapel hout.
'Die stammen moet ik nog kapot hakken,' zegt Johnny terwijl hij naar het hakblok loopt. 'Daar begin ik in de zomer al mee.'
Zonder op te kijken pakt hij de bijl. Met zijn duim strijkt hij over het staal. 'Vlijmscherp. Daarmee kan ik in een keer de kop van een kip afhakken. Heb ik pas nog gedaan.'
Hij tilt de bijl hoog op en ramt hem in het blok. 'Bam. Kop eraf. Maar niet dood. Het stomme beest liep weg, zonder kop. Het bloed spoot alle kanten op. Kijk maar.' Hij wijst met zijn hoofd naar een paar donkere vlekken op de vloer. 'En daarna vloog hij tegen de muur op.'
Op de afbladderende witte muur, zitten vegen oud bloed. Ik kijk vlug weg. 'Wat zielig.'
'Helemaal niet zielig.' Hij grijnst. 'Zo zijn kippen, die gaan niet meteen dood. Ze bewegen altijd nog een tijdje, spartelen en -'
Ik druk mijn oren dicht. 'Hou op!'
Zijn grijns wordt nog groter en hij komt voor me staan. 'Je bent toch niet bang?' Hij buigt zijn hoofd naar me toe. Zijn ogen glanzen vreemd. Op zijn bovenlip zitten roodblonde haartjes met ernaast rode pukkels. Hij kijkt me ernstig aan, is opeens stil. Ik wil weg van die enge ogen, maar mijn benen willen niet. Hij komt nog dichterbij, de bijl in zijn handen. Zijn adem stinkt naar kaas en sigaretten. Ik druk me tegen de koude muur en kijk snel rond. De deur achter hem is dicht.
'Ik zou er ook makkelijk een kind mee kunnen doodmaken,' fluistert hij. 'Kijk zo.' Hij legt de bijl tegen mijn keel en lacht. Een enge, schorre lach.
'Niet doen. Ga weg!' wil ik gillen, maar mijn stem is weg. Ik duw uit alle macht tegen zijn schouder.
'Ik laat je zo gaan, maar dat kost natuurlijk wel iets.'
Hij zet de bijl tegen het hakblok, legt zijn hand achter in mijn nek en duwt me op mijn knieën. De veter van zijn zwarte werkschoen is los. Wil hij soms dat ik er een strik in maak?
'Als je precies doet wat ik zeg, is het zo over, maar als je schreeuwt of aan iemand vertelt wat wij hier doen, hak ik je kop eraf. Begrepen?'
Mijn maag trekt zich samen en de vloer beweegt alsof het een boot is.
Gehaast opent hij de onderste knopen van zijn overall en haalt er iets groots uit dat niet lijkt op het piemeltje dat ik eens bij een buurjongetje zag. 'Zuigen,' gebiedt hij.
'Net als bij een lolly.'

Als in een vertraagde film zie ik Johnny oversteken en mijn kant opkomen. Ik forceer een glimlach en steek mijn hand uit. 'John? Dat is lang geleden.'
Zijn mond zakt weer open. 'Beppie?'
'Ja, zo heette je kleine nichtje, maar intussen is het Elize. Jij zat toch in Canada?'
'Klopt. Ik ben overgekomen voor mijn moeder. Ze is vorige week overleden, darmkanker.'
'Gecondoleerd. Dat wist ik niet. Ik heb geen contact meer met jouw kant van de familie.'
'Weet ik. Het heeft ook niet in de krant gestaan. Ik blijf nog even om hun huis te verkopen en de erfenis af te wikkelen. Mijn vader is daar niet meer toe in staat.'
'Mama's broer... wat is er met hem?'
'Herseninfarct. Hij zit al een jaar in een verpleeghuis. Ik werd gek van die grafstemming in dat huis en wist dat die army trucks hier zouden komen. Ik verzamel dingen uit de tweede wereldoorlog. Vooral wapens, daar heb ik een hele collectie van.'
Zijn stem is zwaarder en heeft een zangerig accent gekregen, toch maakt de klank me nog onrustig.
Uit de binnenzak van zijn leren jack haalt hij een pakje sigaretten. Hij houdt voor me op. 'Jij ook?'
'Nee, dank je. Ik rook niet.'
'Natuurlijk. Ik had het kunnen weten. Mijn perfecte nichtje rookt niet.'
Hij steekt de sigaret aan. Zijn handen trillen. Zou hij zich ook ongemakkelijk voelen? Is hij daarom zo sarcastisch? Hij draagt een gouden zegelring. Zijn middel- en wijsvinger zijn verkleurd door de nicotine en zijn gelige nagels zijn nog net zo lang als toen. En scherp. Ik dacht dat ik het vergeten was, maar in-eens weet ik weer precies hoe die nagels van binnen bij me voelden.

Ik had hem niet zien aankomen, ineens is hij er. Hij stapt vanachter de stam van de kastanjeboom. Opa en oma zijn niet thuis. Gillen helpt niet. Ik ren naar de achterdeur, maar net voordat ik er ben, krijgt hij me te pakken. Hij tilt me op. 'Pak die tak vast,' zegt hij met een bazige stem.
Hij mag niet zien dat ik bang ben, dat maakt het alleen maar erger, weet ik intussen. Ik moet me blijven vasthouden, maar mijn handen gaan zeer doen. 'Ik hou het niet meer,' roep ik.
'Geeft niet. Ik help je wel.'
Hij komt voor me staan en legt zijn handen onder mijn jurk om mijn middel. Tilt me een stukje omhoog. Ik verpak, maar durf niet los te laten.
'Ik wil weleens weten hoe jij van binnen voelt,' zegt hij terwijl hij zijn hoofd tegen mijn buik drukt.
Ik wil spartelen, naar hem trappen, hem in pukkelige gezicht spugen, maar ik kan me niet bewegen. Ik kan alleen maar net doen alsof ik er niet echt bij ben. Alsof ik droom en weg kan vliegen als het weer te erg wordt. Toch voel ik wat hij doet.
Hij schuift zijn hand in mijn onderbroek en duwt eerst een vinger en dan twee vingers bij mij naar bin-nen. Verder en verder. Zijn nagels zijn scherp, ik word duizelig van de pijn, het lijkt wel of er van binnen iets scheurt. Dan hou ik het niet meer en ik val.

John neemt een trekje, buigt zijn hoofd achterover en blaast langzaam uit. Ik doe een stap opzij voor een man met een bouvier. John ziet de hond en springt naar achteren.
Ik schiet in een nerveuze lach. 'Weet je nog dat die boxer van slager Brasser achter je aan zat?'
Hij schudt zijn hoofd.
'In de Walstraat.'
'Daar weet ik niks van.'
'Dat zal dan wel. Het is ook al lang geleden.'
Zo achteloos mogelijk vraag ik: 'Denk jij nog weleens aan vroeger?'
Hij inhaleert diep, kijkt naar de lucht en blaast de rook door zijn neus naar buiten. 'Ik weet niet veel meer van die tijd. Ik ging al jong naar Canada. Naar oom Piet, de broer van mijn moeder. Die regelde een baan voor me in de bosbouw. Op mijn twintigste was ik al voorman van een groep houthakkers.'
'Zo, dat lukt niet iedereen. Maar eh... weet je ook niet meer wat we in opa's kelder deden en in die oude caravan en zo?'
Ik dwing mezelf om naar zijn gezicht te blijven kijken en rustig door te praten. 'Met die schroevendraaier? Toen ik zo ging bloeden?'
'O dat.' Hij haalt zijn schouders op. 'Dat was gewoon een kinderspelletje.'
'Ja, we waren nog maar kinderen,' zeg ik. 'Het stelde niets voor.'
'Ik heb dorst gekregen,' zegt John. 'Café Molenzicht is er niet meer, zag ik.'
'Dat is afgebroken om een weg aan te leggen. Maar ik woon vlakbij, laten we wat drinken bij mij in de tuin. Dan kun je meteen zien waar ik woon. Vijf jaar terug hebben we een boerderijtje gekocht met een boomgaard.'
'Heb je wat sterkers in huis dan fris?'
'Whatever you like.'
'Oké, als het niet te ver lopen is.'
'Nog geen tien minuten.'
'We.., zeg je. Ben je getrouwd?'
'Ja. Met Edward, een schat van een man, hij is heel zachtaardig.' ...en geduldig denk ik er achteraan. Hoe lang duurde het niet voordat ik niet meer verkrampte als hij me wilde aanraken?
'Kinderen?'
'Nee, ik...' Geen fouten maken nu. Hij hoeft niet weten hoeveel verdriet we ervan hebben dat ik geen kinderen kan krijgen. De schaamte is er weer. In alle hevigheid.

De dokter is weg en oma komt op de rand van mijn bed zitten. Ze streelt mijn rug. 'Ik weet dat je wakker bent,' zegt ze zacht. 'Ik moet iets aan je vragen. Is er misschien iemand die weleens dingen met je doet, die je eh... waarvan je denkt dat het niet hoort?'
Het maakt nu allemaal niets meer uit. Ik wil dood. Vanonder het laken vertel ik haar over die roestige schroevendraaier en Johnny. Alles.
'Je hoeft niet meer bang te zijn voor Johnny,' zegt opa die avond. 'Hij gaat bij familie in Canada wonen. Dat is beter voor hem en voor ons.'
'Is Canada ver weg?'
'Heel ver weg. Helemaal aan de andere kant van de wereld.'

Ik draai mijn hoofd naar hem toe. 'En jij? Verliefd, verloofd, getrouwd?'
'Nee, single en dat bevalt me prima. Geen gezeik aan mijn kop.'
We lopen het wilgenlaantje in naar onze boerderij. 'Jesus, wat wonen jullie afgelegen zeg. Ik zou gek worden van de stilte.'
'Wij vinden het wel lekker, die rust en ruimte.'
Max komt aanrennen en springt blaffend tegen het hek dat rond ons huis en de boomgaard loopt.
'Shit, jullie hebben ook zo'n beest.'
'Max, ja, die loopt meestal vrij rond, maar als je even wacht, sluit ik hem op.'
'Wat wil je drinken?' vraag ik als we op het terras aan de rand van de boomgaard zitten.
'Heb je whisky?'
Hij drinkt gehaast, zijn glas zit nog vol ijsblokjes.
Ik begrijp ineens waardoor zijn handen zo trilden en nog trillen. Maar het is niks vergeleken bij wat ik voel. Het lijkt wel of al mijn zenuwbanen vibreren. Als hij het maar niet ziet. Dat plezier gun ik hem niet. Hoe banger ik vroeger werd, hoe opwindender hij het vond. Zo beheerst mogelijk neem ik een slokje wijn en wijs naar de appelbomen. 'Die bomen stonden er al toen we dit huis kochten. Mooi, hè? Zulke hoogstamsoorten zie je niet veel meer, veel te arbeidsintensief.'
'Het hout stelt niet veel voor,' zegt hij met een kennersblik. 'Alleen geschikt voor de open haard.'
Ik haal mijn schouders op. 'Zeg John, nou je er toch bent. Zou jij iets voor me willen doen?'
Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes. 'Ligt eraan wat.'
'Daar boven zitten de mooiste appels, zie je wel? Ik durf niet zo goed op een ladder en Edward heeft het al zo druk. Zou jij er een paar voor mij willen plukken? Kijk, hier heb je een mand en daar ligt de ladder.'
Hij kijkt me voor het eerst echt aan. Fronst zijn wenkbrauwen. 'Nou vooruit dan maar.'
Hij zet de ladder tegen de boom en met de hengselmand om zijn arm klimt hij naar boven.
'Zal ik je glas ondertussen bijschenken?'
'Graag.'
Vanuit de keuken kijk ik naar hem. Ik heb Max uit de bijkeuken gehaald. Hij staat tegen me aan en volgt de bewegingen van John aandachtig. 'Let op Max,' zeg ik tegen mijn uit de kluiten gewassen Mechelse herder. Ik pak hem bij zijn halsband en open de deur naar de tuin. Zijn spieren zijn gespannen, hij is een brok concentratie en ingehouden kracht. Zachtjes jankt hij, maar hij blijft netjes zitten, als een getrainde politiehond. John staat halverwege de ladder met zijn rug naar ons toe. Een kort moment twijfel ik, dan geef ik Max het commando tot aanhouden en laat ik zijn halsband los. Als een speer vliegt hij ervandoor. Binnen luttele seconden springt hij blaffend rond de ladder.
Met de fles whisky in de hand loop ik in hun richting. John is zo hoog mogelijk op de ladder gaan staan en houdt zich met een hand vast aan een tak. 'Haal die fucking dog weg,' schreeuwt hij. Hij gooit een appel naar Max. En nog een. Dat is voor Max het sein dat hij mag aanvallen. Hij springt tegen de ladder op, grijpt John bij zijn enkel en schudt zijn kop. De ladder glijdt langzaam weg. John hangt met een hand aan de tak. Max staat op zijn achterpoten en loopt achteruit, tot John op de grond smakt.
Ik zou nu moeten ingrijpen, maar wacht nog even en kijk wat Max doet. Hij is afgekeurd omdat hij overpakt. Een goede politiehond klemt zijn kaken om de arm of het been van de verdachte en blijft hem op dezelfde plaats vasthouden tot zijn baas komt. Max niet. Handig ontwijkt hij de trappende benen van John en bijt hem waar hij kan. In zijn elleboog, onderarm, kuit en in zijn lies.
John vloekt en schreeuwt. Er is niets van zijn bravoure over, wat hier in mijn tuin ligt te kronkelen is een zielig, min mannetje. Het is genoeg geweest.
Ik roep Max terug. Twee keer moet ik het commando geven voordat hij nog natrillend naast me komt zitten. Belonend klop ik hem op zijn flank. Max laat zich met tegenzin opsluiten. Ik geef hem een bak eten en bekommer me dan om John die zijn joggingbroek naar beneden heeft getrokken en met grote ogen naar het bloed zit te kijken dat uit de wond in zijn lies stroomt.
'Die fucking dog van jou heeft me bijna vermoord,' zegt hij met hernieuwde kracht.
'Eigen schuld. Je had gewoon rustig moeten blijven staan. Dan had hij niets gedaan. Je hebt nog geluk dat hij getraind is, een andere hond had je waarschijnlijk ook in je gezicht gepakt.'
'Alsof dit niet genoeg is, straks bloed ik nog dood.'
Ik haal mijn schouders op. 'Dat wondje? Dat stelt niets voor, met een paar hechtinkjes is dat zo weer in orde. Ik zal het even ontsmetten.' Ik pak de fles whisky van tafel en giet wat van de inhoud over de wond.
Kreunend kruipt hij bij me vandaan.
'Dam you. Ik kan mijn arm niet meer bewegen. Daar kom jij niet zomaar vanaf. Hier ga ik aangifte van doen.'
Mijn stem klinkt ongewoon kalm. 'Dat zou ik niet doen.'
Hij kijkt me verbaasd aan. Ik gok erop dat hij ook niet precies weet hoe het zit. 'Ze hebben de Nederlandse wet aangepast toen jij weg was. Zedendelicten kennen geen verjaringstermijn meer. Ik zou alsnog aangifte kunnen doen als ik dat zou willen. Het rapport dat de dokter destijds opmaakte na dat eh... kinderspelletje met die schroevendraaier, heb ik gek genoeg nog altijd bewaard.'
Hij slikt en kijkt weer naar zijn lies. Met een zakdoek probeert hij het bloeden te stelpen.
'Maar ik ben de beroerdste niet,' zeg ik als ik de ladder op zijn plaats leg. 'Ik zal een taxi voor je bellen.'
Als de taxi over het wilgenlaantje verdwijnt, raap ik de appels op en leg ze terug in de mand. Op een paar gebutste plekken na zijn ze nog verrassend gaaf. Ik veeg de schil schoon en neem een hapje. Hij smaakt zoetzuur. Precies goed voor een appeltaart.

Zoetzure appeltjes © Barbara Joy

Beoordeling Anneke Blok

 

"Zoetzure appeltjes" van Barbara Joy is een verhaal van wraak. Van wraak die zoals de titel suggereert zowel zoet als zuur kan zijn. Van een wraak die zo soepel en probleemloos wordt toegepast dat er ondanks herhaalde aanwijzingen van toeval in het verhaal toch enige voorbedachte rade niet onwaarschijnlijk is. Dat wringt een beetje.
Hoe moeten we de ontmoeting met John *) in de eerste alinea lezen, vooropgezet of toevallig? Of brengt de ontmoeting met een hond Elize op een idee?
Het is jammer dat Elizes gedachten voor ons verborgen blijven. Dit was toch een uitgesproken situatie om in het hoofd van de mens Elize te kruipen. Nu zien we een gespannen vrouw die vastberaden doorzet. Haar jeugdherinneringen maken de wraak zeer acceptabel, maar had ze misschien toch nog enige twijfel?

Elize noemt tegen John de naam van haar man. Dat werkt alleen als John de naam Edward kan koppelen aan iemand die hij vroeger gekend heeft of als de persoon een rol speelt in het verhaal.
De hond blijft netjes zitten "als een getrainde politiehond". Hier heb ik moeite mee. Ik kan er niet precies de vinger op leggen en het klinkt misschien overdreven, maar naar mijn gevoel zit die vergelijking te dicht bij de werkelijkheid.

Uit de dialoog komt heel goed het botte karakter van John naar voren. Kleineren van zijn nicht, herinneringen aan vroeger kappen en uiting geven aan zijn behoefte aan drank. Heel knap gedaan. Ik zie de man zo voor me, hoewel – mocht ik hem in het echte leven tegenkomen - liever niet naar hem zou kijken.

Het is verrassend een verhaal van Barbara Joy te lezen waar meer spanning en handeling in zit dan gewoonlijk. Meestal zijn haar verhalen sober en verstild met een positieve afloop. In dit verhaal is het meisje dat zich verwonderde over behang met blauwe rozen uitgegroeid tot een agressieve vrouw.

De flashbacks uit Elizes jeugd zijn heel mooi onderkoeld beschreven. Als lezer beleef je de gebeurtenissen intens mee. Barbara Joy heeft heel veel aandacht gegeven aan details die een achtjarig meisje zich zou herinneren zoals een losse veter en gele nagels
De eerste flashback begint heel abrupt met het werkwoord bespringen, terwijl de herinneringen wel verdrietig, maar niet echt heftig en zeker in de aanloop in een kalm tempo worden beschreven. Misschien is hier een ander werkwoord beter op zijn plaats?
In haar jeugdherinneringen laat de schrijfster Elize wel echt de diepte in te gaan. Als we in het gedeelte met de handeling, het voltrekken van de wraak, iets meer zouden vernemen van Elizes gedachten wordt dit verhaal nog herkenbaarder als geschreven door Barbara Joy.

Anneke Blok

Korenveld met kraaien - Lotte van Limburg


Naar het gelijknamige schilderij van Vincent van Gogh. Het is een van zijn laatste schilderijen. Ruim twee weken na het voltooien van dit werk beroofde Van Gogh zich van het leven.

korenveld
Ik herinner me niet meer hoe de zon eruit ziet. Ik staar naar mijn palet, maar de kleur van zonneschijn is er niet bij. Zwart overheerst.
Achter mijn schildersezel strekt zich het korenveld uit dat ooit van goud was. Nu is het somber bruin en oker.
Waar is de geur van de zomer? Ik ruik alleen een dreigende herfst. De rottende lucht van afsterven en bederf.
Het landschap voor me is vertrouwd en toch oneindig vreemd. Het koren buigt zich naar mij toe in een poging mij te omstrengelen. Het wil mij insluiten, verstikken. Vroeger fluisterden de aren als ruisend riet, nu snerpen de scherpe halmen. Geslepen zeisen zijn het, die mij de hals willen doorsnijden.
Ik doop mijn penseel diep in het donkergeel. Met heftige streken duw ik het koren terug op zijn plaats. Het doek veert mee op de cadans van mijn verweer. Mijn penseel is het zwaard waarmee ik stap voor stap de snijdende stengels bedwing. Hijgend kom ik tot stilstand.
Maar het leger van de korenaren is niet alleen. De grondtroepen krijgen versterking in de lucht. Wagens getrokken door zwarte paarden stijgen bulderend op uit de horizon. Achter hen zie ik de blauwe zondvloed die mij zal overspoelen. Wie helpt mij?
De verf springt met dikke klodders op het linnen en grijpt de hengsten bij de keel. Ze laten zich niet temmen. In razernij komen ze dichterbij. Met mijn vrije arm omklem ik mijn schildersezel om hem te redden in de briesende storm. Tussen het geroffel en het getrappel van de hoeven door zwiepen zweepslagen. In de verte flitst de hel. Rollende donderwolken nemen bezit van mij.
Uitgeput geef ik mij over. De storm die in mij woedt, gaat langzaam liggen. Een oorverdovende stilte vult de duisternis. Er is geen licht meer, alleen een aangenaam donker. 'Neem mij mee,' fluister ik zonder woorden.
Een vaag schijnsel gloeit op waar de hemel het korenveld raakt. Met wijdgespreide vleugels doorboort een zwarte kraai de nog natte verf. In zijn vlucht vermenigvuldigt hij zich tot een zwerm, tot de lucht bevlekt is met de dood.
'Neem mij mee.'

De zwarte engel - Barbara Joy

Op mijn hoede voor slangen en ander kruipend gespuis, volgen we het pad van rode aarde. In de bomen naast ons krijsen vogels of apen. Tijmen legt zijn handen over zijn oren.
'Het kan nu niet ver meer zijn,' zeg ik. 'Die open plek was bij een struik met oranje bloemen. Kijk, zoals die daar.'
Sneeuwvlokkie, het witte, krulharige hondje van de lodge-eigenaar huppelt uitgelaten vooruit. Joost mag weten waarom hij ons uitkoos als gezelschap toen we hier gisteren arriveerden en ook nu meeloopt op onze namiddagwandeling door het wildpark.
'Die nyala's zijn vast al weg,' voorspelt Tijmen. Op zijn gezicht verschijnt een olijke glimlach. 'Antilopen zijn helemaal niet tegen lopen, sterker nog, ze rennen wat af op een dag.' Hij zegt het voor de derde keer in korte tijd. Ik hef mijn hand. 'Stil eens. Hoor je dat?'
Sneeuwvlokkie staat stil en houdt zijn kopje scheef. Hoort hij ook iets vreemds? Alsof er een niet voelbare bries opsteekt die de bladeren doet ritselen. Het geluid gaat abrupt over in een onnatuurlijke stilte. Zijn het apen die van tak naar tak springen en ons bespieden of huizen er nog andere dieren in het dichte groen?
Met mijn camera op stand-by sluipen we naar de open plek. Tijmen had gelijk. De nyala's die we zonet vanuit de safaribus zagen, zijn weg. Ook al zei onze gids dat ze hier vaak de hele middag rondhangen.
De verlaten plek ruikt vaag naar een geitenstal. Sneeuwvlokkie snuffelt aan een berg keutels en verdwijnt in het hoge gras dat taai en buigzaam is, net als de mensen hier. Een kleurige vogel met een lange staart vliegt klapwiekend op. De ergste hitte is al voorbij en de vredige, lome sfeer voelt aangenaam. De oude bomen die de plek omzomen, geven me een gevoel van geborgenheid.
Ik loop naar het midden, waar de meedogenloos brandende Afrikaanse zon het gras verschroeid heeft, haal diep adem en draai met gespreide armen een rondje.
Tijmen komt achter me staan en legt zijn armen om me heen. Over mijn schouder kijk ik naar zijn gelukkige gezicht. Het was een goede beslissing om onze droomreis nog te maken.
Ineens is dat geluid er weer. Schuin achter Tijmen bewegen takken.
Tijmen draait zich om. Sneeuwvlokkie komt blaffend aanrennen. 'Hier! Down,' probeer ik. Gespannen gaat hij in het zand liggen, zijn blik strak gericht op de bewegende bosjes. De takken wijken en er verschijnt een enorme giraffe. Met zachte ogen neemt hij ons op. Hij is zo dichtbij dat ik zijn lange oogharen zou kunnen tellen. Mijn lijf vult zich met liefde en ik hou mijn adem in.
Even kijkt hij achterom, loopt dan statig voor ons langs, gevolgd door de leden van zijn kudde. Vier vrouwtjes en een onvolgroeid mannetje, dat net als zijn vader, wat donkerder van kleur is.
Rustig trekken ze voorbij, hier en daar stilstaand om wat blaadjes van bomen te rukken. Het jonge mannetje schudt zijn kop. De vliegen laten zich niet verjagen, ze maken enkel een sprongetje en rukken weer op naar zijn ogen en neus. Er trekt een rilling over de huid van zijn hals. Wat zou ik graag mijn hand even op dat gevlekte fluweel leggen.
Ze verlaten de open plek, steken het pad over en verdwijnen in de dichte begroeiing. Het geluid van ritselende blaadjes en brekende takken neemt af en dan verraadt niets meer hun aanwezigheid.
Ik draai me naar Tijmen. 'Hoe is het mogelijk dat zulke grote dieren zich zo onzichtbaar kunnen maken, hè?'
Hij zucht. 'Hier hoop je op. Zomaar oog in oog met een paar eh.. een paar van die langnekken.'
We besluiten om het pad een stukje te volgen en dan ergens met een boog weer terug te keren naar het veld met ananassen dat zich uitstrekt tegenover de ingang van lodge. Er moeten hier in de buurt ook zebra's zitten en met een beetje geluk zien we olifanten.
Na een paar bochten en afslagen naderen we een kruising. Sneeuwvlokkie blaft luid en schiet de bosjes in. Van links komen de zes giraffes aanstuiven. In wilde galop rennen ze ons voorbij, opgejaagd door het dappere hondje dat probeert om in hun achterpoten te bijten. 'Hier. Kom. Feet. Down!' commandeer ik. Sneeuwvlokkie reageert niet. Hij drijft de giraffes tientallen meters over het pad en nog verder, een heuvelachtige savanne op. Met opgeheven staart stuiven de giraffes uiteen en komen dan verbazend snel weer tot rust.
Sneeuwvlokkie komt terug en ploft hijgend naast ons neer.
De giraffes verzamelen zich op het hoogste punt van een heuveltje. Ze steken scherp af tegen de zon die in warme kleuren ondergaat. Ik neem een foto, en nog een, voordat het licht weg is.

De kudde sluit zich aaneen en trekt verder in de richting van de zon die achter de heuvel verdwenen is.
'Ik krijg trek,' zegt Tijmen.
De snel invallende duisternis slokt de kleuren en contouren op. We moeten terug, maar ik heb geen idee in welke richting we de lodge moeten zoeken. Tijmen wist altijd overal feilloos de weg, zorgeloos volgde ik hem, naar hartenlust foto's makend. Maar die tijd is voorbij. Daar heeft de ziekte van Alzheimer een streep door getrokken. Ik ben verantwoordelijk voor ons beiden.
Ik glimlach naar Tijmen, hij mag mijn angst niet opmerken, dan zijn we nog verder van huis. 'Op naar het buffet dan. Ben benieuwd wat er vanavond op de braai ligt.'
'Heb jij water bij je?' vraagt Tijmen.
'Nee. Vergeten.'
In mijn haast om foto's te maken van de nyala's heb ik behalve mijn camera niks meegenomen. Mijn mobiele telefoon ligt in mijn koffer, die zou hier toch geen bereik hebben. Niemand van ons reisgezelschap weet dat we zijn gaan wandelen en niemand zal ons missen. We eten niet met een vaste groep en trekken zoveel mogelijk met zijn tweetjes op. Dat voelt wel zo veilig, sinds ik merkte dat Tijmens soms wat afwijkende gedrag, onderwerp was van spot.
'Ik wil even op de heuvel kijken of ik nog een mooie tegenlichtfoto kan maken,' zeg ik tegen Tijmen. 'Wacht jij hier?'
Ik klim omhoog en draai opnieuw een rondje in de hoop iets te zien van de zee van licht waarin de lodge zich om deze tijd hult. Enkel op de plek waar de zon ondergegaan is, hangt nog een gouden gloed. Shit. Wat nu?
Als ik weer naast Tijmen sta, is het zo donker als het alleen in een uitgestrekt natuurgebied kan zijn. Op mijn kuit kriebelt iets, de muggen beginnen ook al opdringerig te worden. Had ik maar muggenwerende spray meegenomen. Of iets met lange mouwen. Had ik maar...
'Welke kant moeten we op?' vraagt Tijmen.
'Die kant. Kom maar mee.'
Ik richt me tot Sneeuwvlokkie, die als een wit baken afsteekt tegen de donkere begroeiing en klap in mijn handen. 'Let's go.' Hij kwispelt en kijkt me afwachtend aan. 'Zoek huis,' probeer ik met een armzwaai. Hij springt tegen mijn been op. Hopelijk wordt hij wél gemist.
Op goed geluk lopen we langs de rand van de savanne. In de verte draaft een kudde zebra's voorbij. Ik hoor ze balken, maar kan ze niet zien, heb ook geen idee hoe ver ze bij ons vandaan zijn. En waar ze voor wegrennen. Ik zou tegen een olifant moeten oplopen, voordat ik hem in de gaten zou hebben. Hoe kon ik toch zó roekeloos zijn? Morgenochtend om half acht vertrekt de bus, dan telt onze gids de aanwezigen. Hoe doe je dat, overnachten in een wildpark? Het kan hier 's nachts flink koud worden. Hadden we maar een doosje met vuurhoutjies, zoals onze gids zijn lucifers noemt.
We moeten in beweging blijven. Gaan zitten is sowieso geen optie met alles wat hier rondkruipt en schreeuwt, piept of op een andere manier tekeer gaat.
'Ik heb trek,' zegt Tijmen.
'Ik ook. We zijn er zo.'
We stuiten op een afrastering. 'Waarom zou je hier een hek neerzetten?' vraag ik me hardop af. Er zijn in dit wildpark geen roofdieren. Daarom mag je er overdag op eigen gelegenheid rondwandelen.
'Ik weet het niet,' zegt Tijmen.
Ik zie de manager van het restaurant weer voor me. Zijn huid glanzend als pas geboend ebbenhout en doordringende ogen die een wijsheid van eeuwen leken te herbergen. 'De laatste luipaard die hier rondzwierf, is eigenhandig door mijn opa gedood, met een assegaai,' vertelde hij met gepaste trots.
'Wauw. Was hij een Xhosa-krijger?'
'Geen krijger, madam, mijn opa was een vredelievende jager.'
Opgezet en met glazen ogen, maar nog altijd imposant, kijkt die gevlekte panter nu neer op de restaurantbezoekers die zich rond het buffet verdringen.
Rustig blijven, logisch denken. Dat veld met ananassen. Zouden zebra's die eten? Of zijn olifanten daar gek op? Het hek is stevig en meer dan twee meter hoog. Aan welke kant zou die akker zijn? Ik besluit om langs het hek te lopen tot we een doorgang of aanwijzing vinden.
'Weet je zeker dat we die kant op moeten?' vraagt Tijmen.
'Ik denk het wel.'
'Je weet het niet zeker? Ik heb er geen zin meer in. Ik ga terug naar huis.' Hij draait zich om.
Ik pak zijn hand. 'Dit hek loopt om dat veld met ananassen heen en leidt ons vanzelf naar de lodge.'
'Ananassen? Ik weet van geen ananassen. Ik wil naar huis.'
'We hebben ze gisteren nog gegeten. Vers van het land. Die akker is van de manager van het restaurant. Dat vertelde hij gisteren, weet je nog?'
'Nee.' Hij wiebelt onrustig heen en weer.
Sneeuwvlokkie leunt tegen mijn been. Zijn krulletjes zijn lekker zacht. Net als Lammie, de schapenknuffel die ik als kind altijd bij me wilde hebben in spannende situaties.
'Wat is het toch een lief beestje, hè?' zeg ik tegen Tijmen. Ik til Sneeuwvlokkie op en denk aan Lassie. In die tv-serie uit mijn jeugd vond die slimme collie altijd de weg naar huis. 'Stom beest,' zeg ik zachtjes tegen hem terwijl ik hem aai. 'Jij kan het ook niet helpen, hè?' Hij likt mijn hand. 'Voel eens Tijmen, hoe zacht hij is.'
'Nee, ik ben het beu. Waar zijn we eigenlijk?'
'Vlak bij de logde. In Afrika.'
'Afrika? Dat had je dan weleens met mij kunnen overleggen. Jij regelt altijd maar van alles buiten mij om. Ik ga terug!'
Ik sla mijn vrije arm om hem heen en slik mijn tranen weg.
'You need help?' klinkt ineens een zware mannenstem naast me.
Ik kijk op en zie in het licht van een vlammetje van een aansteker als eerste de tanden en het oogwit van een forse, donkere man. Hij draagt een lichtgekleurd overhemd met lange mouwen en een lange broek. Waar komt die zo gauw vandaan? Hij straalt rust en kracht uit, of is het de opluchting die me doet ontspannen?
Ik zet Sneeuwvlokkie neer en lach naar hem. 'O, yes! I'm so happy to see you. Do you know the Ezulwini Game Lodge?' Godzijdank heb ik de naam onthouden.
Hij knikt en met krachtige armgebaren duidt hij mij de weg. Stukje rechtdoor, met duim en wijsvinger geeft hij de lengte van dat stukje aan, dan rechtsaf en bij de tweede weg schuin naar links.
Ik probeer het te herhalen. O, jee. Ik weet het nu al niet meer!
'Women!' Hij kantelt zijn hoofd achterover en lacht met een diep parelend keelgeluid. Dan hurkt hij en veegt een stukje aarde glad. Hij ruikt naar zweet, houtvuur en benzine. Met zijn vinger tekent hij een plattegrond met hek, waarna hij de route aangeeft door met een stokje gaatjes te prikken in het zand. 'You see?'
Ik buig me over de tekening en maak er een foto van. Het flitslicht is verblindend. Als ik opkijk om hem te bedanken, is hij verdwenen. 'Waar is hij zo snel naartoe?' vraag ik aan Tijmen.
'Ik weet het niet. Ik keek naar jou.'
Ik bekijk de foto op mijn schermpje. De plattegrond staat er scherp en in zijn geheel op. Hiermee moet het lukken. Er staat ook een stukje blote voet van de man op. Een smalle lijn waar het diepzwart overgaat in het wit van zijn voetzool.
De accu van mijn camera is nog voor driekwart vol, het schermpje geeft voldoende licht om te zien waar we onze voeten zetten. Dat ik daar niet eerder aan dacht! Ik pak Tijmens hand. 'Kom, we gaan lekker eten.'

Als we in de lodge aankomen, vertel ik aan de restaurantmanager wat ons is overkomen.
Hij lacht geheimzinnig en zegt: 'A black angel.'
'Denk je dat echt?'
Zijn wijze ogen lijken bij me naar binnen te kijken. 'Sure.' zegt hij rustig. 'Dit is Afrika. Ezulwini is de Xhosa benaming voor Hemel.'
De lodge-eigenaar komt erbij staan en haalt zijn hondje aan. 'Julle het baie geluk gehad,' zegt hij. 'Na sononder is hier byna nooit mense nie. Daar is ook geen nedersettings in die park waar arbeiders woon. Soms kom hier stropers, maar die kom gewoonlik pas later op die aand of in die nag. Jy weet seker dat jy 'n man gesien het?'
Ik pak mijn camera om de foto te tonen, maar ik kan hem nergens meer vinden.

De zwarte engel © Barbara Joy

 

Beoordeling Anneke Blok 

De zwarte engel' van Barbara Joy is een echte vertel­ling. Barbara heeft ook ruimschoots gebruik gemaakt van tips van andere leden en het verhaal op een aantal punten herschreven. Waar eerst de dementie van de man een middel voor de schrijfster was om het ver­dwalen te rechtvaardigen, speelt in de herziene versie de dementie een veel grotere rol. Zeker tijdens de zoektocht naar de weg naar de lodge. Dit gedeelte laat zich lezen als een filmscenario. Ik zag zo de reactie van de vrouw voor me op de opmerkingen van de man. Wel staat in deze nieuw geschreven scene de dementie van Tijmen geïsoleerd in het verhaal, want ook in de slotscène speelt zijn dementie geen rol. Hoe goed deze scene ook geschreven is, de wat vagere aanduidingen van vergeten in de eerdere versie vond ik mooier pas­sen in het geheel van de vertelling.

Tijdens het lezen kreeg ik ook in deze versie geen dui­delijk beeld van de plattegrond. Hek, lodge, ananassen. Er moet toch ook een weg zijn? Staat er om de lodge geen hek? Mogen de giraffes zo de keuken binnen­wandelen? Het was een beetje verwarrend.

De opmerking van Tijmen over de antilopen heeft denk ik veel reacties gekregen. In eerste lezing dacht ik ook: wat een boekentaal. Maar juist het letterlijk gele­zene blijft hangen en de geest van de man is niet lenig genoeg om het om te zetten in spreektaal. Van mij had de eerste versie mogen blijven, hoewel het vereenvou­digde grapje ook goed werkt.

De sfeer van de natuur, de spanning bij de verschijning van de giraffes is fantastisch beschreven. Het eerste deel leest of je het zelf beleeft.

Een deus ex machina is bij dit verhaal haast onvermij­delijk om de karakters veilig thuis te krijgen. Maar een niet bestaande man en een verdwijnende foto vind ik goedkoop (sorry Barbara) en afbreuk doen aan het ver­haal. Er waren vast wel rationele oplossingen te be­denken geweest.

Barbara Joy beschrijft in haar verhaal de natuur, laat de reactie van Tijmen zien op het verdwalen en tovert dan een 'Zwarte Engel' uit het niets. Hier mag ik wel vraagtekens zetten bij dat voor mij onverklaarbare ver­schijnsel. Niets in het denken van de hoofdpersoon wijst op deze ontwikkeling. De vrouw in het verhaal wordt beschreven als de bewonderaarster van de schitterende natuur, de zorgzame begeleidster van haar man, maar niets eerder in het verhaal wijst op magisch denken.

'De zwarte engel' heeft mij, ondanks een voor mij niet bevredigend slot, met zijn sfeervolle natuurbeschrij­ving en filmisch aandoende scene over een demente­rende man heel veel leesplezier gegeven.

© Anneke Blok

Beoordeling Joanne Dohle

De zwarte engel is een verhaal waarin de beelden van een Afrikaanse savanne aan het geestesoog van de lezer voorbijtrekken. Het verhaal ademt Afrika. In dit verhaal laat Barbara een van haar kwaliteiten in creatief schrijven zien: zintuigelijk schrijven. De geuren, de kleuren en de geluiden uit Afrika komen allemaal voorbij. Ook de beelden zoals een opvliegende vogel, het verschroeide gras door de hitte en giraffes die op een heuvel sterk afsteken tegen de zon, zijn een greep uit die talrijke mooie waarnemingen.

Tijdens de wandeling  in de namiddag van het ik-figuur en Tijmen geniet ik als lezer van de omgeving. Maar het verhaal komt daardoor wel iets traag op gang, omdat de personages door de waarnemingen iets te lang ondergeschikt aan de verhaallijn blijven. De waarnemingen zijn welkom voor de lezer, maar doordat die enkele keren gekoppeld worden aan het hondje - hetgeen leuke en lieve beelden oproept – worden die op hun beurt ook verstoord. De lezer die een groeiende behoefte ontwikkelt om meegenomen te worden in de authentieke beelden van een safaripark zal het hondje daarom mogelijk als ruis ervaren.  Het is deze “ruis” die mij als lezer even laat dwalen tot halverwege de eerste pagina, wanneer ik de eerste hint krijg: het ik-figuur en Tijmen maken, tegen de adviezen in, hun droomreis.

“Het was een goede beslissing om tegen de adviezen in, onze droom­reis nog te realiseren.”

Deze zin geeft spanning en er ontstaat een emotionele lading: de droomreis. Vanaf dat moment is mijn interesse in de personages gewekt. Deze krachtige zin had een goede openingszin kunnen zijn om de spanning eerder in het verhaal te brengen en eerder een relatie te leggen tussen al je zintuigen openzetten (de waarnemingen) en de droomreis waar ze zo vol van is. Barbara lost vervolgens de spanning in van ‘tegen de adviezen in’: het wordt donker en de personages verdwalen in de omgeving waar onder andere slangen over de rode aarde kruipen en waar de nachten koud zijn. Als lezer hoop je dat ze samen snel de weg naar de lodge terugvinden, maar dan presenteert Barbara een ‘hindernis’ die het bereiken van hun doel bemoeilijkt: We moeten terug, maar ik heb geen idee in welke richting we de lodge moeten zoeken. Tijmen wist altijd overal feilloos de weg, zorgeloos volgde ik hem, naar har­tenlust foto's ma­kend. Maar die tijd is voorbij. Daar heeft de ziekte van Alzheimer een streep door getrok­ken. Ik ben ver­antwoordelijk voor ons beiden. Schrijftechnisch is het verergeren van de situatie door een hindernis sterk én het versterkt de spanning. Deze zinnen maken het verhaal tevens pijnlijk ontroerend.

De personages blijven onder de geschetste omstandigheden -in een verlaten omgeving met vreemde geluiden en gevaarlijke dieren- tamelijk rustig. Ik vond het ontbreken van angst of paniek opvallend, maar het is uiteraard heel goed mogelijk dat de ik-figuur rustig blijft om Tijmen te ontzorgen. Het onderbouwen van deze missende informatie, in bijvoorbeeld een innerlijke monoloog, geeft naar mijn smaak meer duidelijkheid en inleving over de penibele situatie. Ook brengt een meer gedetailleerde uitwerking van het ik-figuur meer evenwicht in de gedetailleerde zintuigelijke waarnemingen. Overigens doet dit niets af aan de spanningsboog. De spanningsboog blijft vanaf het verdwalen strak: de discussie tussen het ik-figuur en Tijmen loopt op en wanneer Tijmen het beu is en terug naar huis wil, breekt het sterke ik-figuur (ze slikt haar tranen weg). Die wegslikkende tranen zijn voelbaar en schrijnend, omdat de lezer weet dat Tijmen in de savanne met ‘huis’ niet de lodge bedoelt maar hun huis in Nederland. Op het hoogtepunt van de spanningsboog lijkt het terugvinden van de lodge een onmogelijke opgave geworden. Wat nu? Op dit punt had het vertragen in tijd -door het fragment te rekken met bijvoorbeeld emotie- de spanning voor mij als lezer hoger opgevoerd. Neemt niet weg dat de gelijk daarop volgende introductie van de reddende engel, de zwarte engel, in een woord schitterend is. Ik zie de engel met zijn vinger in het zand ‘de oplossing’ van het probleem tekenen; een plattegrond. Het plotseling verschijnen en het even zo plotseling verdwijnen van de zwarte engel, maakt deze verschijning mysterieus. Barbara symboliseert daarmee hoop: wanneer een situatie uitzichtloos lijkt, komt er uit onverwachtse hoek hulp maar men moet zelf de gewezen weg volgen om thuis te komen. Dit symbool straalt ook af op Alzheimer, de ziekte die beide personages diep beïnvloedt. Als lezer interpreteer ik het symbool als volgt: de ik-figuur draagt alle verantwoordelijkheden en wanneer dit op enig moment te zwaar wordt, dan is er de hoop op een onverwachts steuntje in de rug om zelf de volledige zorg voor de ander weer te kunnen dragen. Deze symboliek maakt het verhaal krachtig en hoopvol. De titel (de gekleurde engel en de hulp maar het uiteindelijk toch zelf moeten doen) heeft in dit licht een mooie dubbele betekenis.


Houvast - Milly Born


Dit is het eerste hoofdstuk van een karaktergedreven roman met magisch-realistische elementen. De voorlopige titel is: 'Houvast'. Ik heb gekozen voor het ik-perspectief, omdat een groot deel van het drama zich in de hoofdpersoon zal afspelen.


Synopsis: Karen heeft een ingrijpende, onbegrijpelijke ervaring en zet alles op alles om te ontdekken wat er gebeurd is. Tijdens haar zoektocht, die deels in Italië, deels in Nederland plaatsvindt, ontmoet ze oude bekenden en maakt ze nieuwe vrienden - en vijanden. Maar bovenal komt ze zichzelf tegen en wordt ze gedwongen om keuzes te maken die haar toekomst bepalen.

Pijn. Asfalt. Een hand. Een ring aan een vinger, oranje licht dat weerkaatst in de steen. Mijn ring. Mijn hand.
De geur van vochtig metaal vult mijn neus, schor gekerm mijn oren.
'Karen... Karen?' Jonathan.
Ik stuur woorden naar mijn lippen, hier ben ik, maar zij gehoorzamen niet. Het gekreun wordt alleen luider. Gekreun dat uit mijn keel komt. Wat is er gebeurd? Waarom lig ik op mijn buik? Ik probeer mijn hoofd op te tillen, maar een stekende pijn in mijn borstkas beneemt me de adem.
Plotseling pakt iemand mijn hand. 'Rustig maar. Het komt goed.'
Alleen onze handen zie ik, onze vingers verstrengeld alsof we geliefden zijn. 'Karen, je gaat het redden. Sterk zijn nu.'
Er trekt een huivering door mijn lichaam en het volgende moment ben ik omhuld door koesterende warmte waarin ik wegzak.
'Niet weggaan, Karen. Je bent nog niet klaar. Hier, hou vast.'
Hij legt iets in mijn handpalm en buigt mijn vingers eromheen.
'Het is een anker. Niet loslaten. Nooit.' Zijn hand omklemt de mijne. 'Beloofd, Karen?'
Ondanks een sirene die steeds hoger en harder gilt, hoor ik de stem duidelijk; hij galmt binnen in mijn hoofd. Ik beloof het, denk ik.
De sirene zwijgt, autodeuren slaan dicht, voetstappen rennen. 'Qui! Vieni, presto!'
En alles wordt stil.

'Signora.' Iemand streelt mijn wang, knijpt erin. 'Wakker worden.'
Ik wil helemaal niet wakker worden. In het halfdonker staat een witte gestalte over me heen gebogen.
'Hoe heet u?'
'Karen.'
'Brava.'
'Water. Acqua.' Maar de persoon is alweer weg.

'Karen?'
Vlak voor mij doemt het gezicht van een man op. 'Karen, ben je wakker?'
Door de mist in mijn hoofd komt een naam aanrollen. 'Erik?'
'O godzijdank. Hoe voel je je?'
'Water.' Ik herken mijn eigen stem niet.
Mijn broer tilt mijn hoofd iets op en duwt een rietje tussen mijn lippen. De koelte kalmeert mijn mond, maar mijn keel voelt als een schaafwond.
'Waar ben ik?'
'In het ziekenhuis.'
'Waarom?'
'Je bent aangereden.'
Beelden flitsen voorbij: avondwandeling, asfalt, hand -
'Jonathan.'
Erik fronst. 'Wie?'
'Jonathan. We waren samen. Waar is hij?' Ik probeer me op te richten, maar een golf van misselijkheid slaat me terug in het kussen.
'Ho, ho, rustig maar.' Erik legt een hand op mijn arm. 'Ik zal het straks voor je vragen.' Zijn wijsvinger volgt het slangetje dat naar een infuusnaald in de rug van mijn linkerhand loopt. 'Je bent behoorlijk toegetakeld, zusje.'
'Hoe?'
'Als ik het gebrekkige Engels van de arts goed begrepen heb: een hersenschudding, drie gebroken ribben en een gebroken onderbeen, dat inmiddels gezet is.'
Mijn been? Ik til de dekens op: een koker wit gips waaruit opgezwollen tenen steken die ik niet herken. De dekens vallen terug en ik sluit mijn ogen. Pas dan voel ik dat het binnen het gips klopt en steekt. Dat elke ademhaling een pijnscheut is en mijn hoofd bonst. Tranen prikken in mijn ogen. Gewond in een Italiaans ziekenhuis. Betekent dit het einde van mijn verblijf? Kan ik doorgaan met mijn studie?
'Hoe voel je je?' De blauwe kringen onder Eriks ogen onderstrepen zijn bezorgde blik.
Ik slik met moeite. 'Hoe kom jij hier?'
'Met de eerst beschikbare vlucht van Schiphol naar Rome. Heb daar een auto gehuurd en ben gisteravond aangekomen. Ik mocht hier slapen.' Hij wijst op een plastic kuipstoeltje. 'Maar dat lukte niet zo goed. Elk uur kwam een verpleegster controleren of jij nog wakker kon worden.'
'Maar wie heeft je verteld dat ik...'
'Roy belde me. Blijkbaar staat hij nog steeds als ICE-contact in je mobieltje.'
Roy - dat zal zijn vriendin niet leuk gevonden hebben. 'Was hij geschrokken?'
'Hij draaide een nachtdienst toen hij mij belde en eerlijk gezegd, klonk hij vrij laconiek.'
Shit. Waarom doet het na twee jaar nog steeds pijn?
'Als jij nou lekker gaat slapen,' Erik trekt de deken tot aan mijn kin op, 'dan zal ik kijken of ik iets over die Jonathan te weten kan komen.' Hij geeft me een scheve glimlach en een zoen op mijn voorhoofd. Zijn eendagsbaard prikt een beetje.
Mijn ogen zakken dicht.

Ik word wakker in een zweem van roze licht en draai mijn hoofd naar het raam. Het silhouet van Orvieto steekt scherp af tegen de vurige avondhemel; de oude stad prijkt op haar rots en knipoogt naar me met oranje lichtjes. Op die rots woon ik al ruim een maand in een eenkamerappartement, studeer ik Italiaans, heb ik Jonathan ontmoet. Is hij ook aangereden? Gewond? Even trekt mijn maag samen. Hij is een van de weinige mannen sinds ik weer alleen ben die niet zijn best deed om mij zo snel mogelijk in bed te krijgen. In het begin voelde ik me bijna beledigd, maar na een paar dagen ontspande ik. Jonathan had interesse in mij om hoe ik dacht, om wat ik zei, niet om hoe ik eruitzag. Toch voelde ik me mooi bij hem. De vraag of er meer kon groeien dan vriendschap leek niet relevant wanneer we door steegjes tussen tufstenen huizen wandelden, langs bloemrijke balkonnetjes, onder wapperende was aan hooggespannen lijnen. We lachten samen om de taalfouten die we maakten, terwijl we een bord pasta of een glas wijn bestelden. Of om de busladingen toeristen die kwetterend door de hoofdstraat achter hun gids aan stiefelden om zo snel mogelijk bij de kathedraal van Orvieto te komen. Of gewoon omdat de herfstzon warm was en we in Italië waren. Waar is hij?

De deur gaat open en de lamp in de kamer springt aan.
'Hé zus, wat is er? Ben je niet blij me te zien?' Erik ruikt naar zeep en ziet er uitgerust uit.
'Ja, natuurlijk wel. Heb je geslapen?'
'Ik heb vanmorgen een hotelkamer gehuurd, ben in bed gevallen en heb tot vier uur in dromenland verkeerd. Ik voel me weer mens. Hoe gaat het met jou? Je klinkt iets beter.'
'Ik ben net wakker.' Ik rek mijn nek en rol voorzichtig met mijn schouders. 'Mijn hoofd doet iets minder pijn.'
'Dat is fijn.' Zijn kus komt op mijn neus terecht. 'Trouwens, Bianca en de kinderen wensen je beterschap.'
'Lief. En mama? Heb je haar iets gezegd?'
'Nee, ik wilde haar niet ongerust maken. Bovendien is ze de afgelopen maand weer verder achteruitgegaan. Verleden week herkende ze me niet eens.'
'Arme mama.' De laatste keer dat ik haar zag, lachte en zwaaide ze naar me vanachter het raam van het zorgcentrum, terwijl ik wegfietste.
'Heb je vandaag met een arts gesproken?'
'Nee, geen dokter gezien. Heb je nog gevraagd naar Jonathan?'
'Ja.' Een schaduw glijdt over zijn gezicht.
'En?'
'Sorry, zusje. Hij heeft het niet gered.'
'Hoe bedoel je?'
Hij ontwijkt mijn blik.
'Nee, Erik, dat kan niet. Ik heb hem gehoord.'
'Lieverd, ik heb met een van de ambulancebroeders gesproken. Jonathan lag een meter of tien bij jou vandaan en was waarschijnlijk op slag dood. Hij heeft niet geleden, Karen.'
Kramp trekt door mijn buik. Jonathan kan niet dood zijn. Ik heb toch zijn hand in de mijne gezien -
'Was er nog iemand anders bij?'
'Dat weet ik niet. De schoft die jullie aanreed, is doorgereden, dus die kun je niet gehoord hebben.'
De hand, de stem - die Nederlands sprak – heb ik me het verbeeld? En het anker? Ik open mijn rechterhand: leeg. Wacht eens - ook de gouden ring die Roy me voor ons vijfjarig huwelijk cadeau heeft gedaan is verdwenen. 'Erik, waar zijn mijn spullen?'
'Geen idee.' Hij trekt het kastje naast het bed open. 'Hebbes. Tenminste, als deze tas van jou is.' Hij houdt mijn bovenmaatse namaak Louis Vuitton omhoog.
'Ja, die is van mij. Wat zit er in?'
Hij schudt de inhoud uit over de dunne deken. Make-uptasje, lippenstift, zonnebril, papieren zakdoekjes, mobiele telefoon, een plattegrond van Orvieto, visitekaartjes, kassabonnetjes. Maar geen sieraden, noch portemonnee of paspoort.
'Er ontbreekt nogal wat.'
'Ze zullen je vast niet bestolen hebben.'
'Buona sera.' Een etenswalm voor zich uit stuwend, stapt een verpleegster met een dienblad de kamer binnen. 'Ha fame, la signora?'
Honger? Niet echt. 'Eh, mi scusi - weet u waar mijn sieraden zijn?
'De waardevolle zaken worden altijd nella cassaforte gelegd, signora.'
Ik slaak een zucht van verlichting. 'De rest ligt in een kluis.'
'Oké, die moeten we morgen dus niet vergeten.'
'Morgen, hoezo?'
Erik glimlacht. 'Je denkt toch niet dat ik je hier achterlaat? We vliegen morgen naar Schiphol. Er is plek voor jou in het VU Medisch Centrum. Ik wacht alleen nog op de officiële toestemming van de artsen hier.'
Terug naar Nederland. De rest van mijn onbetaald verlof thuis doorbrengen. Amsterdam. Mijn baan weer oppakken. Mijn leven. Alsof er niets gebeurd is. Maar er is wel iets gebeurd, al begrijp ik niet wat.
'En... Jonathan? Waar is hij nu?'
Erik schraapt zijn keel. 'In het mortuarium.'
'Is er familie?'
'Sorry, ik heb niet doorgevraagd.'
Een rappe roffel op de deur doet ons opkijken. 'Signora Prins, Karen?' In de deuropening staat een carabiniere in een zwart uniform, een pistool op zijn heup.
'Dat ben ik.'
Hij zet zijn pet af en treedt de kamer binnen. 'Wij verrichten onderzoek naar de omstandigheden van het ongeluk waar u bij betrokken was. Spreekt u Italiaans?'
'Si, redelijk.'
'Mag ik u een paar vragen stellen?'
'Si... maar ik herinner me niet veel – alleen dat we langs de kant van de weg wandelden.'
'Aan welke kant liep u, gezien uw looprichting?'
'Eh, aan de linkerkant.'
'U herinnert zich niet dat een auto u tegemoetkwam?'
'No. Het spijt me.'
'Maakt u zich geen zorgen, signora. En de persoon met wie u samen was – kende u hem goed?'
'Jonathan? We doen... deden dezelfde taalcursus. Ik heb hem een maand geleden ontmoet en we werden vrienden.'
'Dan heb ik een verzoek.' Hij friemelt aan de pet. 'We hebben contact gezocht met familieleden in Nederland, maar niemand kan op korte termijn hiernaartoe komen om hem te identificeren. Zou u zich in staat voelen om dat te doen?'
Ik zoek Eriks ogen. Hij haalt zijn schouders op.
'Sì, ik wil Jonathan zien.'
'Grazie. Ik zal het verplegend personeel informeren.' Hij kijkt op zijn horloge. 'Dat wordt waarschijnlijk morgenochtend. Arrivederla, signora.' De man zet zijn pet op, draait zich op zijn hakken om en beent weg.
Erik kijkt hem na. 'Waar ging dat over?'
'Morgen ga ik Jonathan identificeren.'
Zijn blik schiet terug naar mij. 'Karen, weet je dat wel zeker?'
Ik weet helemaal niets zeker en juist daarom moet ik hem zien. Ik knik.
Mijn broer veegt een traan van mijn wang. 'Wil je wat eten?'
'Nee, ik heb geen trek. Wil jij het?'
Hij tilt het deksel op. 'Bouillon... geraspte kaas, brood.' Hij dekt het eten weer af. 'Sorry, ik denk dat ik een pizzeria opzoek. Kun jij weer slapen. Is het goed dat ik nu ga?'
'En m'n appartement? M'n kleren, m'n tablet –'
'Geef me het adres en ik zal zorgen dat alles in orde komt.'
'Het visitekaartje moet daar ergens tussen liggen.' Ik wijs op de rommel uit mijn tas die nog op bed ligt. 'Palazzo del Cardinale. De eigenaresse heet Elvira. Ze zal zich wel afvragen waar ik uithang.'
'Dat zal ik haar dan morgenochtend uitleggen.' Erik doet de spullen terug in mijn tas. 'Hou je taai, zusje. Tot morgen.'

Golven spatten in mijn gezicht, mijn voeten zoeken vaste grond maar vinden niets en ik zak onder water waar schaduwen op me afkomen, me omcirkelen. Ik draai om mijn as en wiek met mijn armen om ze weg te jagen. Tevergeefs. Omhoog moet ik, omhoog. Ik snak naar adem en schop met mijn benen. Het wordt donker, alles doet pijn, mijn longen barsten. Dan vinden mijn handen houvast, rijs ik op uit het water dat van mij afstroomt en daal ik neer op een rots. Ik lach, ik schater, ik dans, tot ik zie dat de zee wemelt van de lichamen. Mensen. Sommigen zijn in paniek, schreeuwen om hulp, anderen zwoegen en hijgen of zwemmen met krachteloze slagen.
'Gooi het anker,' beveelt een stem. Maar het anker dat in mijn handpalm ligt is veel te klein. 'Gooi,' herhaalt hij.
'Geloof jij in die onzin?' Mijn vaders stem druipt van minachting voordat hij snuivend onder water verdwijnt. Erik houdt watertrappelend zijn gezin boven water en Roy staart me verwijtend aan voordat hij kopje onder gaat.
Ik struikel, val en schuif op mijn buik richting het water, waar de schaduwen onder de oppervlakte loeren. 'Nee!' Ik klauw in de rots die verkruimelt tot zand dat tussen mijn vingers doorglijdt. Het anker - met een zwaai werp ik het weg en boven de golven verandert het in een adelaar die met zijn klauwen mensen oppakt en ze een voor een op de rots zet. En de rots raakt niet vol.
Het zand onder mij is weer steen geworden. Een hand sluit om de mijne en helpt me overeind. Jonathan? Nevel vervaagt alles om me heen. Ik staar –

'Signora Karen.' Iemand tikt op mijn arm.
Ik schud de hand van me af. 'Laat me!'
'Signora, wakker worden, per favore.'
'Jonathan?'
'Buon giorno.' Een jonge verpleegster plaatst een kamerscherm naast mijn bed en slaat de deken terug. De arts komt u zo onderzoeken, maar eerst ga ik u lekker opfrissen.'
De droombeelden wijken voor de werkelijkheid die met een zurige lucht mijn bewustzijn binnendringt. Het meisje geeft geen krimp. 'Uw broer heeft net schone kleding gebracht.' Ze koppelt het infuus los, ontdoet mij van de ziekenhuiskleding en knijpt een doekje boven een teiltje water uit.
Ik probeer met een hand de deken over mijn onderlijf te trekken en met de andere mijn borsten te bedekken. 'Per favore, mag ik het zelf doen?'
'No, het spijt me, daar is geen tijd voor. De dokter kan elk moment komen.'
Een paar minuten later lig ik met een warm hoofd in een oud T-shirt en een slobberbroek waar zelfs mijn gipsbeen in past.
'Spiegel?'
Ze aarzelt even. In één oogopslag begrijp ik waarom. De linkerkant van mijn gezicht is paars en opgezet. De iris in mijn linkeroog steekt lichtblauw af tegen de bloeding in het oogwit. Mijn blonde haar sliert vettig langs mijn slapen. Tranen biggelen over mijn wangen.
Jonathan, waarom ben je weggegaan?

De verpleegster legt een wit plastic zakje op het bed. 'Ecco, uw waardevolle spullen.'
Ik gluur erin. Portemonnee, paspoort...
'Attenzione, ik breng u nu naar het mortuarium.' Het bed komt in beweging en ik duw het zakje onder de deken.
In de hal staat de carabiniere. Hij tikt aan zijn pet. 'Signora, buongiorno. Mi scusi, de autopsie is nog niet afgerond. Over tien minuten kunnen we naar binnen, heeft men mij gezegd.'
De verpleegster laat ons alleen in een misselijkmakend geurenmengsel van wierook, ontsmettingsmiddelen en een weeë lucht die ik niet thuis kan brengen. Ik veeg mijn klamme handen af aan mijn broek. De enige dode die ik ooit gezien heb was mijn vader – in een kist in het uitvaartcentrum. De snikken die toen vanuit mijn borst omhoog stuwden hadden de plechtige stilte ruw verbroken.
'Karen.' Erik, gelukkig. Zijn hand op mijn schouder.
Een man in groene kleding slentert de hal in. Hij stroopt zijn blauwe handschoenen af en trekt zijn mondkapje omlaag. 'U kunt de overledene nu bezoeken.'
Erik manoeuvreert het bed de krappe kamer in. Pas als hij stilhoudt, kijk ik op. Eén blik is genoeg om het beeld in mijn geheugen te etsen. Het is niet de Jonathan die ik ken, de Jonathan met de rode krullen en de brede lach, die bruist van leven, met wie ik onder de sterren wandel en in de regen jog. Nee, deze Jonathan ligt roerloos op een metalen tafel onder een laken waar alleen zijn hoofd strak en bleek onderuit steekt, zijn haar glad achterover gekamd, zijn sproeten vervaald. Eén blik. Mijn adem stokt en ik knijp mijn ogen dicht. 'Erik, haal me hier weg. Alsjeblieft.'
In de hal houdt de carabiniere ons tegen. 'Signora, bevestigt u dat dit het lichaam van De Wit, Jonathan is?'
'Si.' Het is alleen zijn lichaam. Jonathan zelf is verdwenen.
'Dan heb ik uw identiteitsbewijs nodig.'
Ik haal het zakje onder de deken vandaan en vis mijn paspoort eruit. Terwijl de man mijn gegevens op een formulier kopieert, springt een vraag op. 'Wie heeft eigenlijk de ambulance gebeld?'
Hij kijkt op van zijn formulier. 'Daar kan ik helaas niets over zeggen zolang het onderzoek niet afgerond is. Als u wilt, kunt u later een kopie van het politierapport opvragen.'
'Grazie. Spoort u alstublieft de schuldige op.' Ik klem mijn kaken op elkaar. En sluit hem levenslang op.

Op de overdekte parkeerplaats voor de spoedeisende hulp overhandig ik Erik het plastic zakje. 'Wil je kijken of alles erin zit?' Mijn stem trilt, net als mijn handen.
Hij bestudeert de inhoud. 'Paspoort, portemonnee... horloge, een ring, twee oorbellen... dat is het.'
Ik bijt op mijn lip.
'Ontbreekt er iets?'
'Nee, ik dacht... ach, laat maar.'
'Oké, Karen, goede reis. Ik zie je over een paar uur bij de gate.'
Twee ambulancebroeders tillen mij behoedzaam van het bed op een brancard en schuiven me de ambulance in. Hun luidruchtige gesprek stopt wanneer een van hen ook instapt, de deuren met een klap dichtgooit en naast me komt zitten. Hij glimlacht naar me, maar zijn ogen spreken medelijden. Ik wend mijn gezicht af.
De motor start. Zonnestralen worden gefilterd door het melkglazen raam. Ciao Orvieto. Addio Jonathan. Einde droomreis.
Net als we langzaam wegrijden, roept een vrouwenstem en de ambulance stopt. De deuren gaan weer open; het meisje dat me gewassen heeft verschijnt in een halo van licht en strekt haar geopende hand naar mij uit. Ze hijgt een beetje. 'Signora, is dit van u? Ik vond het op de grond voor de kluis.' In haar palm glanst een glad, gouden ankertje.
Kippenvel golft van mijn kruin naar mijn tenen. 'O, grazie mille.'
Als in een vertraagde opname glijdt het sieraad van haar hand in de mijne. Onmiddellijk sluit ik het op in mijn vuist.
Niet loslaten. Nooit.

Houvast © Milly Born

Snel zoeken