LetterSpinsels

Topverhalen 2015

De zwarte engel - Barbara Joy

Op mijn hoede voor slangen en ander kruipend gespuis, volgen we het pad van rode aarde. In de bomen naast ons krijsen vogels of apen. Tijmen legt zijn handen over zijn oren.
'Het kan nu niet ver meer zijn,' zeg ik. 'Die open plek was bij een struik met oranje bloemen. Kijk, zoals die daar.'
Sneeuwvlokkie, het witte, krulharige hondje van de lodge-eigenaar huppelt uitgelaten vooruit. Joost mag weten waarom hij ons uitkoos als gezelschap toen we hier gisteren arriveerden en ook nu meeloopt op onze namiddagwandeling door het wildpark.
'Die nyala's zijn vast al weg,' voorspelt Tijmen. Op zijn gezicht verschijnt een olijke glimlach. 'Antilopen zijn helemaal niet tegen lopen, sterker nog, ze rennen wat af op een dag.' Hij zegt het voor de derde keer in korte tijd. Ik hef mijn hand. 'Stil eens. Hoor je dat?'
Sneeuwvlokkie staat stil en houdt zijn kopje scheef. Hoort hij ook iets vreemds? Alsof er een niet voelbare bries opsteekt die de bladeren doet ritselen. Het geluid gaat abrupt over in een onnatuurlijke stilte. Zijn het apen die van tak naar tak springen en ons bespieden of huizen er nog andere dieren in het dichte groen?
Met mijn camera op stand-by sluipen we naar de open plek. Tijmen had gelijk. De nyala's die we zonet vanuit de safaribus zagen, zijn weg. Ook al zei onze gids dat ze hier vaak de hele middag rondhangen.
De verlaten plek ruikt vaag naar een geitenstal. Sneeuwvlokkie snuffelt aan een berg keutels en verdwijnt in het hoge gras dat taai en buigzaam is, net als de mensen hier. Een kleurige vogel met een lange staart vliegt klapwiekend op. De ergste hitte is al voorbij en de vredige, lome sfeer voelt aangenaam. De oude bomen die de plek omzomen, geven me een gevoel van geborgenheid.
Ik loop naar het midden, waar de meedogenloos brandende Afrikaanse zon het gras verschroeid heeft, haal diep adem en draai met gespreide armen een rondje.
Tijmen komt achter me staan en legt zijn armen om me heen. Over mijn schouder kijk ik naar zijn gelukkige gezicht. Het was een goede beslissing om onze droomreis nog te maken.
Ineens is dat geluid er weer. Schuin achter Tijmen bewegen takken.
Tijmen draait zich om. Sneeuwvlokkie komt blaffend aanrennen. 'Hier! Down,' probeer ik. Gespannen gaat hij in het zand liggen, zijn blik strak gericht op de bewegende bosjes. De takken wijken en er verschijnt een enorme giraffe. Met zachte ogen neemt hij ons op. Hij is zo dichtbij dat ik zijn lange oogharen zou kunnen tellen. Mijn lijf vult zich met liefde en ik hou mijn adem in.
Even kijkt hij achterom, loopt dan statig voor ons langs, gevolgd door de leden van zijn kudde. Vier vrouwtjes en een onvolgroeid mannetje, dat net als zijn vader, wat donkerder van kleur is.
Rustig trekken ze voorbij, hier en daar stilstaand om wat blaadjes van bomen te rukken. Het jonge mannetje schudt zijn kop. De vliegen laten zich niet verjagen, ze maken enkel een sprongetje en rukken weer op naar zijn ogen en neus. Er trekt een rilling over de huid van zijn hals. Wat zou ik graag mijn hand even op dat gevlekte fluweel leggen.
Ze verlaten de open plek, steken het pad over en verdwijnen in de dichte begroeiing. Het geluid van ritselende blaadjes en brekende takken neemt af en dan verraadt niets meer hun aanwezigheid.
Ik draai me naar Tijmen. 'Hoe is het mogelijk dat zulke grote dieren zich zo onzichtbaar kunnen maken, hè?'
Hij zucht. 'Hier hoop je op. Zomaar oog in oog met een paar eh.. een paar van die langnekken.'
We besluiten om het pad een stukje te volgen en dan ergens met een boog weer terug te keren naar het veld met ananassen dat zich uitstrekt tegenover de ingang van lodge. Er moeten hier in de buurt ook zebra's zitten en met een beetje geluk zien we olifanten.
Na een paar bochten en afslagen naderen we een kruising. Sneeuwvlokkie blaft luid en schiet de bosjes in. Van links komen de zes giraffes aanstuiven. In wilde galop rennen ze ons voorbij, opgejaagd door het dappere hondje dat probeert om in hun achterpoten te bijten. 'Hier. Kom. Feet. Down!' commandeer ik. Sneeuwvlokkie reageert niet. Hij drijft de giraffes tientallen meters over het pad en nog verder, een heuvelachtige savanne op. Met opgeheven staart stuiven de giraffes uiteen en komen dan verbazend snel weer tot rust.
Sneeuwvlokkie komt terug en ploft hijgend naast ons neer.
De giraffes verzamelen zich op het hoogste punt van een heuveltje. Ze steken scherp af tegen de zon die in warme kleuren ondergaat. Ik neem een foto, en nog een, voordat het licht weg is.

De kudde sluit zich aaneen en trekt verder in de richting van de zon die achter de heuvel verdwenen is.
'Ik krijg trek,' zegt Tijmen.
De snel invallende duisternis slokt de kleuren en contouren op. We moeten terug, maar ik heb geen idee in welke richting we de lodge moeten zoeken. Tijmen wist altijd overal feilloos de weg, zorgeloos volgde ik hem, naar hartenlust foto's makend. Maar die tijd is voorbij. Daar heeft de ziekte van Alzheimer een streep door getrokken. Ik ben verantwoordelijk voor ons beiden.
Ik glimlach naar Tijmen, hij mag mijn angst niet opmerken, dan zijn we nog verder van huis. 'Op naar het buffet dan. Ben benieuwd wat er vanavond op de braai ligt.'
'Heb jij water bij je?' vraagt Tijmen.
'Nee. Vergeten.'
In mijn haast om foto's te maken van de nyala's heb ik behalve mijn camera niks meegenomen. Mijn mobiele telefoon ligt in mijn koffer, die zou hier toch geen bereik hebben. Niemand van ons reisgezelschap weet dat we zijn gaan wandelen en niemand zal ons missen. We eten niet met een vaste groep en trekken zoveel mogelijk met zijn tweetjes op. Dat voelt wel zo veilig, sinds ik merkte dat Tijmens soms wat afwijkende gedrag, onderwerp was van spot.
'Ik wil even op de heuvel kijken of ik nog een mooie tegenlichtfoto kan maken,' zeg ik tegen Tijmen. 'Wacht jij hier?'
Ik klim omhoog en draai opnieuw een rondje in de hoop iets te zien van de zee van licht waarin de lodge zich om deze tijd hult. Enkel op de plek waar de zon ondergegaan is, hangt nog een gouden gloed. Shit. Wat nu?
Als ik weer naast Tijmen sta, is het zo donker als het alleen in een uitgestrekt natuurgebied kan zijn. Op mijn kuit kriebelt iets, de muggen beginnen ook al opdringerig te worden. Had ik maar muggenwerende spray meegenomen. Of iets met lange mouwen. Had ik maar...
'Welke kant moeten we op?' vraagt Tijmen.
'Die kant. Kom maar mee.'
Ik richt me tot Sneeuwvlokkie, die als een wit baken afsteekt tegen de donkere begroeiing en klap in mijn handen. 'Let's go.' Hij kwispelt en kijkt me afwachtend aan. 'Zoek huis,' probeer ik met een armzwaai. Hij springt tegen mijn been op. Hopelijk wordt hij wél gemist.
Op goed geluk lopen we langs de rand van de savanne. In de verte draaft een kudde zebra's voorbij. Ik hoor ze balken, maar kan ze niet zien, heb ook geen idee hoe ver ze bij ons vandaan zijn. En waar ze voor wegrennen. Ik zou tegen een olifant moeten oplopen, voordat ik hem in de gaten zou hebben. Hoe kon ik toch zó roekeloos zijn? Morgenochtend om half acht vertrekt de bus, dan telt onze gids de aanwezigen. Hoe doe je dat, overnachten in een wildpark? Het kan hier 's nachts flink koud worden. Hadden we maar een doosje met vuurhoutjies, zoals onze gids zijn lucifers noemt.
We moeten in beweging blijven. Gaan zitten is sowieso geen optie met alles wat hier rondkruipt en schreeuwt, piept of op een andere manier tekeer gaat.
'Ik heb trek,' zegt Tijmen.
'Ik ook. We zijn er zo.'
We stuiten op een afrastering. 'Waarom zou je hier een hek neerzetten?' vraag ik me hardop af. Er zijn in dit wildpark geen roofdieren. Daarom mag je er overdag op eigen gelegenheid rondwandelen.
'Ik weet het niet,' zegt Tijmen.
Ik zie de manager van het restaurant weer voor me. Zijn huid glanzend als pas geboend ebbenhout en doordringende ogen die een wijsheid van eeuwen leken te herbergen. 'De laatste luipaard die hier rondzwierf, is eigenhandig door mijn opa gedood, met een assegaai,' vertelde hij met gepaste trots.
'Wauw. Was hij een Xhosa-krijger?'
'Geen krijger, madam, mijn opa was een vredelievende jager.'
Opgezet en met glazen ogen, maar nog altijd imposant, kijkt die gevlekte panter nu neer op de restaurantbezoekers die zich rond het buffet verdringen.
Rustig blijven, logisch denken. Dat veld met ananassen. Zouden zebra's die eten? Of zijn olifanten daar gek op? Het hek is stevig en meer dan twee meter hoog. Aan welke kant zou die akker zijn? Ik besluit om langs het hek te lopen tot we een doorgang of aanwijzing vinden.
'Weet je zeker dat we die kant op moeten?' vraagt Tijmen.
'Ik denk het wel.'
'Je weet het niet zeker? Ik heb er geen zin meer in. Ik ga terug naar huis.' Hij draait zich om.
Ik pak zijn hand. 'Dit hek loopt om dat veld met ananassen heen en leidt ons vanzelf naar de lodge.'
'Ananassen? Ik weet van geen ananassen. Ik wil naar huis.'
'We hebben ze gisteren nog gegeten. Vers van het land. Die akker is van de manager van het restaurant. Dat vertelde hij gisteren, weet je nog?'
'Nee.' Hij wiebelt onrustig heen en weer.
Sneeuwvlokkie leunt tegen mijn been. Zijn krulletjes zijn lekker zacht. Net als Lammie, de schapenknuffel die ik als kind altijd bij me wilde hebben in spannende situaties.
'Wat is het toch een lief beestje, hè?' zeg ik tegen Tijmen. Ik til Sneeuwvlokkie op en denk aan Lassie. In die tv-serie uit mijn jeugd vond die slimme collie altijd de weg naar huis. 'Stom beest,' zeg ik zachtjes tegen hem terwijl ik hem aai. 'Jij kan het ook niet helpen, hè?' Hij likt mijn hand. 'Voel eens Tijmen, hoe zacht hij is.'
'Nee, ik ben het beu. Waar zijn we eigenlijk?'
'Vlak bij de logde. In Afrika.'
'Afrika? Dat had je dan weleens met mij kunnen overleggen. Jij regelt altijd maar van alles buiten mij om. Ik ga terug!'
Ik sla mijn vrije arm om hem heen en slik mijn tranen weg.
'You need help?' klinkt ineens een zware mannenstem naast me.
Ik kijk op en zie in het licht van een vlammetje van een aansteker als eerste de tanden en het oogwit van een forse, donkere man. Hij draagt een lichtgekleurd overhemd met lange mouwen en een lange broek. Waar komt die zo gauw vandaan? Hij straalt rust en kracht uit, of is het de opluchting die me doet ontspannen?
Ik zet Sneeuwvlokkie neer en lach naar hem. 'O, yes! I'm so happy to see you. Do you know the Ezulwini Game Lodge?' Godzijdank heb ik de naam onthouden.
Hij knikt en met krachtige armgebaren duidt hij mij de weg. Stukje rechtdoor, met duim en wijsvinger geeft hij de lengte van dat stukje aan, dan rechtsaf en bij de tweede weg schuin naar links.
Ik probeer het te herhalen. O, jee. Ik weet het nu al niet meer!
'Women!' Hij kantelt zijn hoofd achterover en lacht met een diep parelend keelgeluid. Dan hurkt hij en veegt een stukje aarde glad. Hij ruikt naar zweet, houtvuur en benzine. Met zijn vinger tekent hij een plattegrond met hek, waarna hij de route aangeeft door met een stokje gaatjes te prikken in het zand. 'You see?'
Ik buig me over de tekening en maak er een foto van. Het flitslicht is verblindend. Als ik opkijk om hem te bedanken, is hij verdwenen. 'Waar is hij zo snel naartoe?' vraag ik aan Tijmen.
'Ik weet het niet. Ik keek naar jou.'
Ik bekijk de foto op mijn schermpje. De plattegrond staat er scherp en in zijn geheel op. Hiermee moet het lukken. Er staat ook een stukje blote voet van de man op. Een smalle lijn waar het diepzwart overgaat in het wit van zijn voetzool.
De accu van mijn camera is nog voor driekwart vol, het schermpje geeft voldoende licht om te zien waar we onze voeten zetten. Dat ik daar niet eerder aan dacht! Ik pak Tijmens hand. 'Kom, we gaan lekker eten.'

Als we in de lodge aankomen, vertel ik aan de restaurantmanager wat ons is overkomen.
Hij lacht geheimzinnig en zegt: 'A black angel.'
'Denk je dat echt?'
Zijn wijze ogen lijken bij me naar binnen te kijken. 'Sure.' zegt hij rustig. 'Dit is Afrika. Ezulwini is de Xhosa benaming voor Hemel.'
De lodge-eigenaar komt erbij staan en haalt zijn hondje aan. 'Julle het baie geluk gehad,' zegt hij. 'Na sononder is hier byna nooit mense nie. Daar is ook geen nedersettings in die park waar arbeiders woon. Soms kom hier stropers, maar die kom gewoonlik pas later op die aand of in die nag. Jy weet seker dat jy 'n man gesien het?'
Ik pak mijn camera om de foto te tonen, maar ik kan hem nergens meer vinden.

De zwarte engel © Barbara Joy

 

Beoordeling Anneke Blok 

De zwarte engel' van Barbara Joy is een echte vertel­ling. Barbara heeft ook ruimschoots gebruik gemaakt van tips van andere leden en het verhaal op een aantal punten herschreven. Waar eerst de dementie van de man een middel voor de schrijfster was om het ver­dwalen te rechtvaardigen, speelt in de herziene versie de dementie een veel grotere rol. Zeker tijdens de zoektocht naar de weg naar de lodge. Dit gedeelte laat zich lezen als een filmscenario. Ik zag zo de reactie van de vrouw voor me op de opmerkingen van de man. Wel staat in deze nieuw geschreven scene de dementie van Tijmen geïsoleerd in het verhaal, want ook in de slotscène speelt zijn dementie geen rol. Hoe goed deze scene ook geschreven is, de wat vagere aanduidingen van vergeten in de eerdere versie vond ik mooier pas­sen in het geheel van de vertelling.

Tijdens het lezen kreeg ik ook in deze versie geen dui­delijk beeld van de plattegrond. Hek, lodge, ananassen. Er moet toch ook een weg zijn? Staat er om de lodge geen hek? Mogen de giraffes zo de keuken binnen­wandelen? Het was een beetje verwarrend.

De opmerking van Tijmen over de antilopen heeft denk ik veel reacties gekregen. In eerste lezing dacht ik ook: wat een boekentaal. Maar juist het letterlijk gele­zene blijft hangen en de geest van de man is niet lenig genoeg om het om te zetten in spreektaal. Van mij had de eerste versie mogen blijven, hoewel het vereenvou­digde grapje ook goed werkt.

De sfeer van de natuur, de spanning bij de verschijning van de giraffes is fantastisch beschreven. Het eerste deel leest of je het zelf beleeft.

Een deus ex machina is bij dit verhaal haast onvermij­delijk om de karakters veilig thuis te krijgen. Maar een niet bestaande man en een verdwijnende foto vind ik goedkoop (sorry Barbara) en afbreuk doen aan het ver­haal. Er waren vast wel rationele oplossingen te be­denken geweest.

Barbara Joy beschrijft in haar verhaal de natuur, laat de reactie van Tijmen zien op het verdwalen en tovert dan een 'Zwarte Engel' uit het niets. Hier mag ik wel vraagtekens zetten bij dat voor mij onverklaarbare ver­schijnsel. Niets in het denken van de hoofdpersoon wijst op deze ontwikkeling. De vrouw in het verhaal wordt beschreven als de bewonderaarster van de schitterende natuur, de zorgzame begeleidster van haar man, maar niets eerder in het verhaal wijst op magisch denken.

'De zwarte engel' heeft mij, ondanks een voor mij niet bevredigend slot, met zijn sfeervolle natuurbeschrij­ving en filmisch aandoende scene over een demente­rende man heel veel leesplezier gegeven.

© Anneke Blok

Beoordeling Joanne Dohle

De zwarte engel is een verhaal waarin de beelden van een Afrikaanse savanne aan het geestesoog van de lezer voorbijtrekken. Het verhaal ademt Afrika. In dit verhaal laat Barbara een van haar kwaliteiten in creatief schrijven zien: zintuigelijk schrijven. De geuren, de kleuren en de geluiden uit Afrika komen allemaal voorbij. Ook de beelden zoals een opvliegende vogel, het verschroeide gras door de hitte en giraffes die op een heuvel sterk afsteken tegen de zon, zijn een greep uit die talrijke mooie waarnemingen.

Tijdens de wandeling  in de namiddag van het ik-figuur en Tijmen geniet ik als lezer van de omgeving. Maar het verhaal komt daardoor wel iets traag op gang, omdat de personages door de waarnemingen iets te lang ondergeschikt aan de verhaallijn blijven. De waarnemingen zijn welkom voor de lezer, maar doordat die enkele keren gekoppeld worden aan het hondje - hetgeen leuke en lieve beelden oproept – worden die op hun beurt ook verstoord. De lezer die een groeiende behoefte ontwikkelt om meegenomen te worden in de authentieke beelden van een safaripark zal het hondje daarom mogelijk als ruis ervaren.  Het is deze “ruis” die mij als lezer even laat dwalen tot halverwege de eerste pagina, wanneer ik de eerste hint krijg: het ik-figuur en Tijmen maken, tegen de adviezen in, hun droomreis.

“Het was een goede beslissing om tegen de adviezen in, onze droom­reis nog te realiseren.”

Deze zin geeft spanning en er ontstaat een emotionele lading: de droomreis. Vanaf dat moment is mijn interesse in de personages gewekt. Deze krachtige zin had een goede openingszin kunnen zijn om de spanning eerder in het verhaal te brengen en eerder een relatie te leggen tussen al je zintuigen openzetten (de waarnemingen) en de droomreis waar ze zo vol van is. Barbara lost vervolgens de spanning in van ‘tegen de adviezen in’: het wordt donker en de personages verdwalen in de omgeving waar onder andere slangen over de rode aarde kruipen en waar de nachten koud zijn. Als lezer hoop je dat ze samen snel de weg naar de lodge terugvinden, maar dan presenteert Barbara een ‘hindernis’ die het bereiken van hun doel bemoeilijkt: We moeten terug, maar ik heb geen idee in welke richting we de lodge moeten zoeken. Tijmen wist altijd overal feilloos de weg, zorgeloos volgde ik hem, naar har­tenlust foto's ma­kend. Maar die tijd is voorbij. Daar heeft de ziekte van Alzheimer een streep door getrok­ken. Ik ben ver­antwoordelijk voor ons beiden. Schrijftechnisch is het verergeren van de situatie door een hindernis sterk én het versterkt de spanning. Deze zinnen maken het verhaal tevens pijnlijk ontroerend.

De personages blijven onder de geschetste omstandigheden -in een verlaten omgeving met vreemde geluiden en gevaarlijke dieren- tamelijk rustig. Ik vond het ontbreken van angst of paniek opvallend, maar het is uiteraard heel goed mogelijk dat de ik-figuur rustig blijft om Tijmen te ontzorgen. Het onderbouwen van deze missende informatie, in bijvoorbeeld een innerlijke monoloog, geeft naar mijn smaak meer duidelijkheid en inleving over de penibele situatie. Ook brengt een meer gedetailleerde uitwerking van het ik-figuur meer evenwicht in de gedetailleerde zintuigelijke waarnemingen. Overigens doet dit niets af aan de spanningsboog. De spanningsboog blijft vanaf het verdwalen strak: de discussie tussen het ik-figuur en Tijmen loopt op en wanneer Tijmen het beu is en terug naar huis wil, breekt het sterke ik-figuur (ze slikt haar tranen weg). Die wegslikkende tranen zijn voelbaar en schrijnend, omdat de lezer weet dat Tijmen in de savanne met ‘huis’ niet de lodge bedoelt maar hun huis in Nederland. Op het hoogtepunt van de spanningsboog lijkt het terugvinden van de lodge een onmogelijke opgave geworden. Wat nu? Op dit punt had het vertragen in tijd -door het fragment te rekken met bijvoorbeeld emotie- de spanning voor mij als lezer hoger opgevoerd. Neemt niet weg dat de gelijk daarop volgende introductie van de reddende engel, de zwarte engel, in een woord schitterend is. Ik zie de engel met zijn vinger in het zand ‘de oplossing’ van het probleem tekenen; een plattegrond. Het plotseling verschijnen en het even zo plotseling verdwijnen van de zwarte engel, maakt deze verschijning mysterieus. Barbara symboliseert daarmee hoop: wanneer een situatie uitzichtloos lijkt, komt er uit onverwachtse hoek hulp maar men moet zelf de gewezen weg volgen om thuis te komen. Dit symbool straalt ook af op Alzheimer, de ziekte die beide personages diep beïnvloedt. Als lezer interpreteer ik het symbool als volgt: de ik-figuur draagt alle verantwoordelijkheden en wanneer dit op enig moment te zwaar wordt, dan is er de hoop op een onverwachts steuntje in de rug om zelf de volledige zorg voor de ander weer te kunnen dragen. Deze symboliek maakt het verhaal krachtig en hoopvol. De titel (de gekleurde engel en de hulp maar het uiteindelijk toch zelf moeten doen) heeft in dit licht een mooie dubbele betekenis.


Korenveld met kraaien - Lotte van Limburg


Naar het gelijknamige schilderij van Vincent van Gogh. Het is een van zijn laatste schilderijen. Ruim twee weken na het voltooien van dit werk beroofde Van Gogh zich van het leven.

korenveld
Ik herinner me niet meer hoe de zon eruit ziet. Ik staar naar mijn palet, maar de kleur van zonneschijn is er niet bij. Zwart overheerst.
Achter mijn schildersezel strekt zich het korenveld uit dat ooit van goud was. Nu is het somber bruin en oker.
Waar is de geur van de zomer? Ik ruik alleen een dreigende herfst. De rottende lucht van afsterven en bederf.
Het landschap voor me is vertrouwd en toch oneindig vreemd. Het koren buigt zich naar mij toe in een poging mij te omstrengelen. Het wil mij insluiten, verstikken. Vroeger fluisterden de aren als ruisend riet, nu snerpen de scherpe halmen. Geslepen zeisen zijn het, die mij de hals willen doorsnijden.
Ik doop mijn penseel diep in het donkergeel. Met heftige streken duw ik het koren terug op zijn plaats. Het doek veert mee op de cadans van mijn verweer. Mijn penseel is het zwaard waarmee ik stap voor stap de snijdende stengels bedwing. Hijgend kom ik tot stilstand.
Maar het leger van de korenaren is niet alleen. De grondtroepen krijgen versterking in de lucht. Wagens getrokken door zwarte paarden stijgen bulderend op uit de horizon. Achter hen zie ik de blauwe zondvloed die mij zal overspoelen. Wie helpt mij?
De verf springt met dikke klodders op het linnen en grijpt de hengsten bij de keel. Ze laten zich niet temmen. In razernij komen ze dichterbij. Met mijn vrije arm omklem ik mijn schildersezel om hem te redden in de briesende storm. Tussen het geroffel en het getrappel van de hoeven door zwiepen zweepslagen. In de verte flitst de hel. Rollende donderwolken nemen bezit van mij.
Uitgeput geef ik mij over. De storm die in mij woedt, gaat langzaam liggen. Een oorverdovende stilte vult de duisternis. Er is geen licht meer, alleen een aangenaam donker. 'Neem mij mee,' fluister ik zonder woorden.
Een vaag schijnsel gloeit op waar de hemel het korenveld raakt. Met wijdgespreide vleugels doorboort een zwarte kraai de nog natte verf. In zijn vlucht vermenigvuldigt hij zich tot een zwerm, tot de lucht bevlekt is met de dood.
'Neem mij mee.'

Getekend - Barbara Joy


'Kijk, pa,' zeg ik als ik zijn keuken binnenstap. 'Dit heeft je achterkleindochter voor je getekend.'
Glimlachend pakt hij het roze vel vol hartjes en lippenstiftkusjes aan. 'Voor opper-opa. Van Sanne,' leest hij hardop. 'Lief. En wat kan ze al goed tekenen, hè? Die gaat op de koelkastdeur.'
Ik pak het strijkgoed en bevochtig de groen met oranje gebloemde lakens die mijn moeder in de jaren zeventig kocht. Omdat ze er zo vrolijk van werd. Ze zou er nu treurig van worden, denk ik als ik de strijkbout erop zet. De kleuren zijn vaal en op de vouwranden zitten sleetse plekken. 'Het wordt tijd voor nieuwe lakens, pa. Bij Zeeman zijn die niet duur.'
Zonder opkijken schenkt hij koffie in. 'Dat je voor me strijkt wil niet zeggen dat jij je met mijn leven moet bemoeien. Ze voldoen nog prima voor een oude man, zoals ik.'
'Zesentachtig, ja. Maar nog hartstikke krachtig. Misschien word je wel honderd.'
'Met die falende rikketik van mij? Dat geloof je toch zeker zelf niet?' Met een hoofdknikje wijst hij naar de strijkbout. 'Zet dat ding maar uit. We gaan eerst koffie drinken.'
Hij gaat in zijn stoel bij het raam zitten, neemt een slok koffie en kijkt me uitdagend aan. 'Ik moet je wat zeggen, voordat je het van een ander hoort. Ik heb gisteren een vent in mekaar geslagen. Bij het bankje in de stad, waar we weleens kletsen.'
'Wat?! Wie?'
'Die gek die daar altijd rondloopt met een winkelwagentje. Hij zat dat vrouwtje te jennen dat soms ook bij ons zit voor een praatje. Het mensje werd er helemaal zenuwachtig van. Die vent verdiende een lesje. Ik heb hem tegen de grond gewerkt en hem een paar rake trappen verkocht.'
'Jezus, pa. Die man is zwakbegaafd. Hij weet niet wat hij doet.'
'Hij lag zo om. Hij verwachtte het niet. Voordeel van een verrassingsaanval, hè?'
'Zoiets doe je toch niet? Heeft hij aangifte gedaan?'
'Welnee, daar is hij veel te stom voor. Hij ging er als een haas vandoor.'
'Er waren getuigen bij. Ik ga het toch niet beleven dat ik gebeld word door de politie, omdat ze je opgepakt...'
'Wees maar niet bang. Je vader weet precies wat hij doet. Drink jij je koffie nou maar op voordat die koud wordt.'
Mijn handen trillen. Als kind moest ik vaak wegrennen naar de wc of een andere veilige plek. En achteraf nooit een sorry. Alleen die zelfingenomen grijns. Net als nu. En niemand die er iets van durfde te zeggen. Ik ben er klaar mee. 'Dit kan echt niet, pa. Op straat iemand in elkaar trappen. Heb je bij mij ook eens gedaan.'
'Hoe kom je daarbij?'
Mijn maag knijpt zich samen. 'Ik weet het nog goed. In de Dijkstraat. Je sleurde me van mijn fiets. Ik trok hem over me heen als een schild en kroop met mijn rug tegen een gevel aan, maar je bleef maar trappen, tot iemand je wegtrok.'
Hij tikt op zijn voorhoofd. 'Jij hebt een ziekelijke fantasie.'
'Nee, een goed geheugen. En jij driftaanvallen. Hoe vaak heb je mij niet geslagen? Mijn speelgoed vernield en...'
Hij schudt zijn hoofd en gaat rechtop zitten.
Hij springt niet op en dat geeft me moed. 'Ik weet ook wat er écht gebeurd is met Laika.'
'Laika?' zegt hij onnozel, maar ik zie aan zijn ogen dat hij schrikt.
'Mijn asielhondje met die zwarte krulletjes dat zogenaamd tegen een auto opgeknald was.'
Bij zijn mondhoek trilt een spiertje en in zijn ogen verschijnt die woeste blik waar ik zo bang voor ben. Ik klem mijn handen om de koffiemok. 'Waarom, pa?'
Hij kijkt van me weg.
'Weet je wel hoe ik naar dat beestje verlangde toen ik in het ziekenhuis lag? Ik was nog maar elf en dacht de hele tijd hoe blij Laika zou zijn als ik weer thuis zou komen. Maar er was geen Laika. Alleen een leeg huis en een gespannen sfeer. Ik kon niet geloven dat ze de deur uitgeglipt was en in volle vaart tegen een auto aangerend was.'
Pa kijkt me weer aan en ik dwing mezelf om te blijven zitten. 'Ze was niet ontsnapt. Dat was een leugen. Jij kon niet met spanningen omgaan en was die dag voor de tweede keer razend geworden. Eerst op mij en toen op Laika.'
'Je liegt.'
'Nee, ik lieg niet. Dat deed jij. En mama ging erin mee. We weten allebei dat ik niet van de trap was gevallen, zoals jij tegen de dokter en de ambulancebroeder vertelde.'
Pa loopt rood aan.
'Waarom heb je Laika in een hoek getrapt toen je met mama van het ziekenhuis terugkwam? Alleen maar om dat drolletje in de kamer?'
'Hou op.'
'Haar ruggengraat was gebroken, ze bleef verlamd liggen, maar nog was het niet genoeg.'
Hij schuift naar de rand van zijn stoel. 'Hou je mond, zeg ik!'
'Toen mama met haar bij de dierenarts kwam, was Laika al overleden.'
'Je kletst uit je nek.'
Langzaam schud ik mijn hoofd. Mijn nekspieren staan strak. 'Dat heeft mama me later zelf verteld. Toen ik al getrouwd was en ze naar ons huis vluchtte, omdat ze niet tegen jouw driftaanvallen kon. Ze heeft toen serieus overwogen om bij je weg te gaan.'
'Hou je moeder er buiten, verdomme!'
Hij springt op en komt met geheven vuist op me af. 'Ga uit mijn ogen, lelijke liegsmoel, of ik sla je bek dicht.'
In een reflex hef ik mijn armen voor mijn gezicht en ren ik de kamer uit. In de gang hoor ik pa achter me: 'Als je denkt dat je je vader een grote bek kan geven, heb je het mis. Donder maar op. Ik wil je nooit meer zien.'
Waar ben ik mee bezig? Ik ben een vrouw van bijna zestig. Als ik de wc-deur passeer, komt er ineens een nieuw soort ijzige kalmte over me. Ik stop, draai me om en met mijn armen langs mijn lichaam sta ik voor hem. 'Wat wil je nou eigenlijk, pa? Mij ook doodslaan?'
Hij kijkt me verward aan. Zet een stap achteruit, neemt me op en laat zijn vuist zakken. 'Nee. Natuurlijk niet.'
'Waarom doe je dan zo?'
'Ik weet het niet. Die woede laait vanzelf op.'
'Weet je wel hoeveel pijn je me daarmee doet?'
Hij kijkt naar zijn pantoffels.
'Weet je wat het ergste is dat je ooit tegen me gezegd hebt?'
Hij schudt zijn hoofd en lijkt ineens kleiner en kwetsbaar.
'De verkeerde is doodgegaan.' Snel veeg ik mijn tranen weg.
'Heb ik dat gezegd?'
'Ja. Je wilde graag een zoon.' Ik bezweer de pijn met mijn ademhaling. 'Ik deed nooit iets goed. Moest banden leren plakken, timmeren, op voetbal.'
Hij zucht. 'Toen we hoorden dat je moeder in verwachting was van een tweeling, was ik dolblij. Twee kindjes van mezelf. Een eigen gezinnetje om voor te zorgen. Jij werd als eerste geboren, dat moment vergeet ik nooit. Ik was nog nooit zo gelukkig geweest. Je broertje kwam maar niet, zijn navelstreng bleek om zijn nek te zitten. En toen ze hem er eindelijk uit hadden, leefde hij niet meer.' Hij slikt. 'Ja, ik had ook graag een zoon gehad. Maar daarom was ik niet minder blij met jou.'
'Zijn die driftaanvallen toen begonnen?'
'Nee.' Hij fluistert het bijna. 'Die waren er al.'
Ik open de wc-deur, trek wat vellen papier van de rol en snuit mijn neus. 'Kom, laten we naar de kamer gaan.'
Pa gaat met zijn benen over elkaar zitten en kijkt naar buiten. Zwijgend neemt hij kleine slokken van zijn koffie.
Met een zwaai gooien mannen van de gemeentereinigingsdienst afgedankte kerstbomen op een vrachtwagen. 'Wat zouden ze met al die bomen doen?' vraagt hij. 'In de fik steken?'
'Ik denk dat ze die...'
'Ik zal die Kerst van achtenveertig nooit vergeten. Toen hebben we drie kampongs platgebrand. Die hutjes van hout en droge palmbladeren wilden wel fikken.'
Als ma nog zou leven, zou ze hem nu de mond snoeren met een: 'We kunnen het beter niet over Indië hebben, schat. Anders lig je vannacht weer met die ploppers te vechten.' Waarna ze over iets leuks zou beginnen.
Ik weet zo snel niets leuks en misschien moet ik hem ook niet afremmen, is het weleens goed dat hij over die tijd praat. Ik ben ook wel benieuwd naar zijn verleden.
'Waarom deden jullie dat?'
'Omdat ze lui van de TNI verborgen hielden.'
'TNI?'
'De vijand. Het leger van Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. Het was geen kunst om ze te verbergen, want ze droegen geen uniform. Alleen een sarong. Je zag het verschil niet met gewone dorpelingen. Ik denk dat we die avond ook burgers doodgeschoten hebben.'
'Heb jij zelf ook mensen eh... doodgeschoten?'
'Het was onze meest succesvolle actie. De TNI was die avond minder waakzaam. Het was eerste kerstdag en ze dachten dat die Hollandse jongens dat wel zouden vieren. Nou mooi niet. We hebben ze verrast. En hoe!'
Een verrassingsaanval, net als bij die man in de stad. Ik probeer me hem voor te stellen als een jonge soldaat, ver van huis, in de donkere jungle met de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog nog vers in het geheugen. 'Hoe ging dat in zijn werk. Ik bedoel wat voelde je?'
'We bivakkeerden op een buitenpost op Java. De tweede politionele actie was al een paar dagen aan de gang en had aan vier van onze jongens het leven gekost. Dat was gebeurd tijdens een verkenningspatrouille in vijandelijk gebied.'
Zijn ogen versmallen en het lijkt of hij naar iets in de verte staart.
'We huurden koelies in voor het dragen van de zware mitrailleurs. Die Javaanse mannen waren gewend aan het tropische klimaat, maar ook zij hadden last van de klamme hitte. Veel zin hadden wij niet in de onderneming, want in het gebied zouden zich drie bataljons TNI ophouden. Een overmacht van twintig tegen een. Achter ieder bosje kon zo'n plopper zitten die jou liever op kogels trakteerde dan op pisangs.'
Hij vertelt het onbewogen, alsof hij verslag doet van een film waar hij zelf geen rol in speelt.
'Na een dag zwoegen over smalle bergweggetjes en glibberige sawadijkjes kregen we ineens van alle kanten vuur. De koelies doken weg in het rijstveld. Een handgranaat doodde twee van onze jongens die voorop liepen. Twee anderen werden dodelijk getroffen door geweervuur en nog eens drie raakten gewond. We kregen twee ploppers in het vizier. Onze brenschutters vuurden een regen van kogels op hen af. God, wat waren wij woest! Op alles en iedereen. Vooral op de koelies die uit de modder kropen en hem smeerden. We gingen als dollemannen achter hen aan, maar moesten ons terugtrekken. Pas laat in de avond bereikten we ons bivak.'
Hij zucht en schudt zijn hoofd. 'Het waren zware dagen voor ons, maar ook voor de aalmoezenier en de hospik die ik assisteerde. Die kwamen handen tekort. Zij deelden een kamer. Een paar van onze jongens hadden op hun kamerdeur een bord geplakt met het opschrift: Eerste en Laatste hulp.'
Pa's gezicht heeft weer die verbeten trek. Hij verwacht vast niet dat ik om het opschrift zal lachen. Misschien kan ik toch beter over iets leuks beginnen. 'Er is morgen een zeilrace in...'
'Een paar dagen later, op die eerste kerstdag hielden we 's avonds een soort kerstdienst, waarbij we allemaal aanwezig waren. Het was een rare avond. De klamme hitte, de grote tegenstelling tussen het Vrede op aarde en het besef van oorlog en dood. We wisten ook dat we meteen erna op patrouille moesten. Voor een vergeldingsactie.
Toen we de kampongs omsingelden, brak er paniek uit. Die Javanen vlogen alle kanten op. Als ze naar je toe renden, knalde je ze neer. Ook vrouwen en kinderen. Dat verschil zie je niet zo snel in het donker. Je handelt in een reflex. We hebben ook lui gevangengenomen. Die zijn later als voorbeeld doodgeschoten. De vrouwen en kinderen zijn vrijgelaten. Maar pas nadat we hun kampongs platgebrand hadden.'
'Vreselijk zeg. Hoe... Heb je er geen spijt van?'
Hij haalt zijn schouders op. 'Je was dienstplichtig en moest wel.'
'Maar dan nog.'
'Ach, kind. Je leerde wel haten. De nacht ervoor, de avond voor kerst dus, had ik de wacht. Ik zat in een boom. Het was bijna volle maan. Rondom me dichte bebossing, maar de boom stond op een open plek. Ik zat met gespitste oren en verkrampte spieren, maar was ook stijf van angst. Overal loerde het gevaar. Het stikte er 's nachts van de vreemde geluiden. Karel, - ook een Rotterdammer, ik heb zijn ouders later nog opgezocht, had zich zo'n vijftig meter rechts van me verschanst, maar contact maakte je niet. Ieder geluid kon je verraden. Ik had er al ongeveer twee uur opzitten en snakte naar een krètekje. Die inlandse sigaretten waren ronduit smerig, maar omdat er kruidnagels in verwerkt zaten, kreeg je er wat meer lucht van. En het hield de muggen op afstand. Maar ja, roken was verboden, zo'n brandend puntje is van verre te zien. Ik wilde net een slok thee uit mijn veldfles nemen, toen ik een ijselijke schreeuw hoorde en iets door de bosjes hoorde rennen. Snel richtte ik mijn karabijn op de plek waar ik de bladeren zag bewegen. Er verscheen een gebogen, rennend figuur op de open plek. Ik schoot gericht. En raak. Toen zag ik dat het een wild varken was. Nou ja, hebben we wat lekkers met Kerst, dacht ik nog. Maar toen kwamen er goddomme zo'n zes jonkies tevoorschijn. Van die kleintjes die nog niet zonder moedermelk kunnen. Ze bleven maar om hun moeder heen lopen, duwend tegen haar dode lijf. Ik kon wel janken.'
Zijn stem verstikt en zijn ogen worden vochtig.
Ik zie Laika voor me, verlamd, bijna doodgetrapt. Door hem. De man die me even ervoor van de trap geduwd had en nu tegen zijn tranen vecht. Ik kan ze zo snel niet verenigen. Wat zou mijn moeder nu gedaan hebben? Ik zucht. 'Wil je nog koffie?'
Hij kijkt me aan, maar lijkt me niet te zien. Hij zit gespannen rechtop, zijn handen om de stoelleuningen geklemd, klaar om overeind te springen. Of weg te duiken. Ik schrik van de pijn in zijn ogen. Zo heb ik hem nog nooit gezien.
Ik ben blij dat ik naar de keuken kan gaan om koffie te halen. 'Inzicht leidt tot begrip,' zou ma zeggen. 'En dat is soms nodig om te kunnen vergeven.' Maar wil ik dat? Kan ik dat? Kan ik net zo vergevingsgezind zijn als zij was? Deze man die mijn leven en dat van haar verziekt heeft. Die met iedereen ruzie maakte, waardoor ik zonder familie opgegroeid ben? De blauwe plekken zijn genezen, maar van binnen voel ik ze nog altijd. Ik kijk naar het strijkgoed. Ook als ze gestreken zijn, blijven lakens vaal en sleets. Een vraag uit ma's afscheidsbrief komt boven. Wil je een beetje voor pa zorgen als ik er niet meer ben? Hij doet soms lelijk, maar meent het niet zo.
Ik loop naar de kamer en zet de mok voor hem neer. 'Alsjeblieft. Drink maar op. Het is allemaal al lang geleden.'
Hij kijkt naar de mok, maar pakt hem niet op. 'Ik had half verwacht dat Karel op het geluid van het schieten af zou komen, of zou roepen of ik hulp nodig had, maar hij hield zich doodstil. Pas toen ik tegen de morgen afgelost werd en met dat moederzwijn achter me aan slepend, weer in ons kamp aankwam, hoorde ik dat Karel verdwenen was. Zijn aflosser had hem niet op de afgesproken plek aangetroffen. Ik ben meegegaan om hem te zoeken. Een meter of veertig verderop vonden we hem. Naakt. Vastgebonden aan een boom. Met opengesperde ogen. Die zwarte rotzakken hadden zijn geslachtsdelen eraf gesneden en die in zijn mond gepropt. Met een strook stof er strak omheen. Gestikt ja, in zijn eigen ballen. Nou, dan leer je wel haten.'
Hij masseert zijn nek en kijkt naar buiten.
'Weer last van je nek?'
Het verhaal dat hij zijn nek gebroken had toen hij in Indië met zijn jeep op een mijn gereden was, ken ik wel. Zes weken heeft hij op een plank vastgebonden gelegen, verzorgd door lieve nonnetjes. In een koel burgerziekenhuis in de bergen, omdat het militaire hospitaal vol was. Voor hem de beste tijd in Indië. Hier ontving hij ook de eerste brieven van ma, die het wel leuk leek om met een van onze jongens overzee te corresponderen.
Hij zucht en pakt zijn mok op.
'Het is nogal wat, zo'n oorlog,' zeg ik. 'Ben blij dat ik zoiets nooit meegemaakt heb.' En dan: 'De ramen zijn vies, zie ik. Zal ik ze straks even zemen?'
'Ben je gek. Dat kan ik zelf wel. Je vader kan nog heel goed voor zichzelf zorgen.'
'Dat weet ik. Maar ik wil gewoon iets voor je doen. Een beetje voor je zorgen.'
'Omdat je moeder je dat gevraagd heeft, in haar afscheidsbrief.'
'Heb jij die gelezen dan?'
'Dacht jij dat wij niets meer deelden? Ze had de inhoud met mij besproken. Die brief was voor het geval dat ze zou overlijden. Ik heb er ook een geschreven. Die zit in het koffertje dat je pas na mijn dood mag openen. Ik wist alleen niet dat zij... Nou, dat zij zo snel erna een hersenbloeding zou krijgen. Hoe dan ook, je hoeft het niet te overdrijven. Je doet al genoeg voor me. Als je straks naar huis gaat, moet je maar een mooi bosje bloemen kopen van mij.'
'Weet je, pa. Ik zou het fijner vinden als je gewoon eens: Dank je, lieverd, zou zeggen. Of, ik hou van je. Of zelfs alleen maar een: Hoe gaat het met je?'
Hij kijkt me aan alsof hij gestoken wordt door een zwerm wespen, maar dan verzachten zijn trekken. 'Ik eh.., ben blij dat je mijn verhaal over Indië wilde aanhoren. Ik heb er eigenlijk nooit over kunnen praten. Je moeder was bang dat ik dat niet aankon. Het was ook heftig. Eerst die rotoorlog hier. En net toen ik dacht dat alles weer een beetje normaal werd, moest ik voor ruim drie jaar naar die ellende in de Oost. Om de kolonie te redden. Ja, ja. En als je dacht dat er opvang was toen je terugkeerde? Welnee. Er werd niet meer over gepraat. Een verloren oorlog. Niets om trots op te zijn. Je ging een baan zoeken en een gezin stichten. Niet omkijken, maar doorgaan. Alsof er niets gebeurd was. Je kreeg honderd gulden en verder zocht je het maar uit. Je moest blij zijn dat je het overleefd had. Weet je hoeveel Hollandse jongens er omgekomen zijn?'
'Nee.'
'Meer dan vijf-dui-zend. De mensen hier hadden geen idee van wat we allemaal meegemaakt hadden. Mijn ouders ook niet. Die waren blij dat hun zoon er weer was. De kamer was versierd met slingers en overal stonden bloemen. Maar ik was niet meer dezelfde jongen als toen ik vertrok. Die Ouwe wilde mijn leven gaan bepalen. Zeggen hoe laat ik thuis moest zijn, wat ik moest eten. Rot op, zeg! De ruzie liep hoog op. Mijn moeder had gespaard en wilde met mij naar een kledingzaak. Ze had al precies bedacht wat ik nodig had. Nou, mooi niet. Ik ging met je moeder. Dat zinde je oma niet, ze dacht mij even de les te lezen. Toen was voor mij de maat vol. Ik heb ze voorgoed adieu gezegd en ben samen met je moeder naar Vlissingen gegaan.'
'Gelukkig heb ik opa en oma nog wel een keer ontmoet. Toen ik een jaar of acht was, denk ik.'
'Ja, dat wilde je moeder per se.'
'We zijn toen met de zeilboot van opa en oma gaan varen en vissen.'
'Ouwe koeien uit de sloot vissen, zal je bedoelen.'
Ik zie de vis met die haak door zijn lip weer voor me. Hij kronkelde van de pijn en leek op een grote uitvoering van een zilveren goudvis. Hij hapte naar adem en ik snapte niet dat opa daar niets zieligs aan vond. 'Een grote, vette brasem,' zei hij trots. 'Daar heeft oma wel een lekker recept voor.' Ik had die avond geweigerd om er een hapje van te proeven. 'Net zo eigenwijs als je vader,' merkte opa op. Is dat zo?
'Ik heb gelukkig wel een beeld van hen. Al is het vaag. Oma zei niet veel en lachte maar wat. Opa vloekte en rookte sigaren. En toch... ik was graag opgegroeid met familie.'
'Wees maar blij van niet, want daar mis je niks aan. Je kan het beste maar goed voor jezelf zorgen en schijt hebben aan de wereld.'
Pa kijkt in de richting van de keuken. 'Wat denk je, komt dat strijkwerk nog af vandaag?'
Ik schiet in een nerveuze lach. 'Als ik zo aardig wil zijn om dat voor je te doen, wel. Maar maak je geen zorgen, ouwe brombeer. Ik doe het niet alleen omdat ma dat aan mij gevraagd heeft.'
Hij pakt zijn zakdoek. Snuit omstandig zijn neus. Wrijft dan in zijn ogen. 'Mensen, wat ben ik ineens moe, misschien dat ik straks toch maar een ouwelullendutje ga doen.'
Ik ga naar de keuken en wacht tot de bout heet genoeg is. Pa komt met de lege koffiemokken achter me aan. In het voorbijgaan slaat hij onhandig zijn arm om me heen en mompelt ergens in de buurt van mijn oor: 'Ja, ik ben een ouwe brombeer, maar wel een die van je houdt.'
Hij zet de mokken in de gootsteen en loopt naar de koelkast waar hij de tekening zorgvuldig recht op de deur plakt.

Getekend © Barbara Joy

Beoordeling winnaar 1e kwartaal 2016

door Anneke Blok



De verhalen van Barbara Joy zijn altijd te herkennen aan maatschappelijk betrokken onderwerpen. Dit is ook het geval in "Getekend", waarin de gevolgen van de ervaringen als dienstplichtig militair in het voormalig Nederlands Indië beschreven worden. PTSS avant la lettre. Een verzwegen verleden dat hem zijn hele leven parten heeft gespeeld, het bestaan van zijn vrouw en dochter heeft verziekt.

Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van de dochter. Een vrouw die haar hele leven en zeker tijdens haar jeugd geleden heeft onder de gewelddadige uitbar­stingen van haar vader.
Het eerste deel van het verhaal is gevuld met de herin­neringen van de dochter, het verhaal van de vader staat in het tweede deel centraal.
De dochter fungeert duidelijk als de aangever voor het verhaal van de vader. Zij moedigt hem op een vrij neu­trale toon aan om verder te vertellen. Zij helpt hem door zijn verhaal heen, maar zij is wel letterlijk het lijdend voorwerp. Zo af en toe een flashback zou hier op zijn plaats zijn geweest. Bij het verhaal van de moederloze varkentjes zag ik direct weer het doodgeschopte hondje. Omdat ik als lezer in haar hoofd kan kijken, had ik graag haar gedachten meegekregen.

De emotie van de vader over de biggetjes vind ik wel het mooiste fragment uit het verhaal. De vader die na al die jaren nog moeite heeft om aan zijn gesneuvelde kameraden te denken en hier toonloos over vertelt, voelt wel medelijden met die dieren.

De vader vertelt zijn verhaal monotoon in volkomen correcte zinnen. Barbara Joy heeft goed gezien dat afgebroken zinnen, herhalingen en alles wat spreektaal tot spreektaal maakt in geschreven taal hier niet op zijn plaats is. De vader kent immers het verhaal, hij heeft het zichzelf al duizenden keren verteld; zijn autocue werkt ongestoord. Zelfs in het "Nou dan leer je wel haten" klinkt weinig emotie door.
"Inlandse mannen" en "vegetatie" vind ik niet helemaal in het woordgebruik van de man passen.

Een kort verhaal kan zich het best beperken tot één thema, één onderwerp en moet zich niet verliezen in te veel details of uitweidingen. Dat de vader liever een jongen had grootgebracht, heeft, denk ik, weinig met zijn PTSS te maken. Het aanhalen van de verstoorde verhouding met zijn ouders maakt het verhaal naar mijn menig niet sterker.

Het moeilijke en eigenlijk het dubbele van "Getekend" is dat het perspectief bij de dochter ligt, terwijl de ge­schiedenis van de vader het thema vormt. De schrijfster probeert ons als lezer wel regelmatig naar de dochter toe te trekken, maar haar interrupties zijn een onbewo­gen reactie op het relaas van de vader. De mishandelin­gen in haar jeugd moeten toch door haar hoofd spelen tijdens zijn verhaal. Er is heel veel - te veel?- begrip van haar kant. Verdraagzaam, een positief einde en goed geschreven, zo heeft "Getekend" alle ken­merken van een Barbara Joy verhaal. Dat de littekens uit haar jeugd blijven, had ik nog graag gelezen. Ook gestreken blijven de lakens vaal en sleets.

Houvast - Milly Born


Dit is het eerste hoofdstuk van een karaktergedreven roman met magisch-realistische elementen. De voorlopige titel is: 'Houvast'. Ik heb gekozen voor het ik-perspectief, omdat een groot deel van het drama zich in de hoofdpersoon zal afspelen.


Synopsis: Karen heeft een ingrijpende, onbegrijpelijke ervaring en zet alles op alles om te ontdekken wat er gebeurd is. Tijdens haar zoektocht, die deels in Italië, deels in Nederland plaatsvindt, ontmoet ze oude bekenden en maakt ze nieuwe vrienden - en vijanden. Maar bovenal komt ze zichzelf tegen en wordt ze gedwongen om keuzes te maken die haar toekomst bepalen.

Pijn. Asfalt. Een hand. Een ring aan een vinger, oranje licht dat weerkaatst in de steen. Mijn ring. Mijn hand.
De geur van vochtig metaal vult mijn neus, schor gekerm mijn oren.
'Karen... Karen?' Jonathan.
Ik stuur woorden naar mijn lippen, hier ben ik, maar zij gehoorzamen niet. Het gekreun wordt alleen luider. Gekreun dat uit mijn keel komt. Wat is er gebeurd? Waarom lig ik op mijn buik? Ik probeer mijn hoofd op te tillen, maar een stekende pijn in mijn borstkas beneemt me de adem.
Plotseling pakt iemand mijn hand. 'Rustig maar. Het komt goed.'
Alleen onze handen zie ik, onze vingers verstrengeld alsof we geliefden zijn. 'Karen, je gaat het redden. Sterk zijn nu.'
Er trekt een huivering door mijn lichaam en het volgende moment ben ik omhuld door koesterende warmte waarin ik wegzak.
'Niet weggaan, Karen. Je bent nog niet klaar. Hier, hou vast.'
Hij legt iets in mijn handpalm en buigt mijn vingers eromheen.
'Het is een anker. Niet loslaten. Nooit.' Zijn hand omklemt de mijne. 'Beloofd, Karen?'
Ondanks een sirene die steeds hoger en harder gilt, hoor ik de stem duidelijk; hij galmt binnen in mijn hoofd. Ik beloof het, denk ik.
De sirene zwijgt, autodeuren slaan dicht, voetstappen rennen. 'Qui! Vieni, presto!'
En alles wordt stil.

'Signora.' Iemand streelt mijn wang, knijpt erin. 'Wakker worden.'
Ik wil helemaal niet wakker worden. In het halfdonker staat een witte gestalte over me heen gebogen.
'Hoe heet u?'
'Karen.'
'Brava.'
'Water. Acqua.' Maar de persoon is alweer weg.

'Karen?'
Vlak voor mij doemt het gezicht van een man op. 'Karen, ben je wakker?'
Door de mist in mijn hoofd komt een naam aanrollen. 'Erik?'
'O godzijdank. Hoe voel je je?'
'Water.' Ik herken mijn eigen stem niet.
Mijn broer tilt mijn hoofd iets op en duwt een rietje tussen mijn lippen. De koelte kalmeert mijn mond, maar mijn keel voelt als een schaafwond.
'Waar ben ik?'
'In het ziekenhuis.'
'Waarom?'
'Je bent aangereden.'
Beelden flitsen voorbij: avondwandeling, asfalt, hand -
'Jonathan.'
Erik fronst. 'Wie?'
'Jonathan. We waren samen. Waar is hij?' Ik probeer me op te richten, maar een golf van misselijkheid slaat me terug in het kussen.
'Ho, ho, rustig maar.' Erik legt een hand op mijn arm. 'Ik zal het straks voor je vragen.' Zijn wijsvinger volgt het slangetje dat naar een infuusnaald in de rug van mijn linkerhand loopt. 'Je bent behoorlijk toegetakeld, zusje.'
'Hoe?'
'Als ik het gebrekkige Engels van de arts goed begrepen heb: een hersenschudding, drie gebroken ribben en een gebroken onderbeen, dat inmiddels gezet is.'
Mijn been? Ik til de dekens op: een koker wit gips waaruit opgezwollen tenen steken die ik niet herken. De dekens vallen terug en ik sluit mijn ogen. Pas dan voel ik dat het binnen het gips klopt en steekt. Dat elke ademhaling een pijnscheut is en mijn hoofd bonst. Tranen prikken in mijn ogen. Gewond in een Italiaans ziekenhuis. Betekent dit het einde van mijn verblijf? Kan ik doorgaan met mijn studie?
'Hoe voel je je?' De blauwe kringen onder Eriks ogen onderstrepen zijn bezorgde blik.
Ik slik met moeite. 'Hoe kom jij hier?'
'Met de eerst beschikbare vlucht van Schiphol naar Rome. Heb daar een auto gehuurd en ben gisteravond aangekomen. Ik mocht hier slapen.' Hij wijst op een plastic kuipstoeltje. 'Maar dat lukte niet zo goed. Elk uur kwam een verpleegster controleren of jij nog wakker kon worden.'
'Maar wie heeft je verteld dat ik...'
'Roy belde me. Blijkbaar staat hij nog steeds als ICE-contact in je mobieltje.'
Roy - dat zal zijn vriendin niet leuk gevonden hebben. 'Was hij geschrokken?'
'Hij draaide een nachtdienst toen hij mij belde en eerlijk gezegd, klonk hij vrij laconiek.'
Shit. Waarom doet het na twee jaar nog steeds pijn?
'Als jij nou lekker gaat slapen,' Erik trekt de deken tot aan mijn kin op, 'dan zal ik kijken of ik iets over die Jonathan te weten kan komen.' Hij geeft me een scheve glimlach en een zoen op mijn voorhoofd. Zijn eendagsbaard prikt een beetje.
Mijn ogen zakken dicht.

Ik word wakker in een zweem van roze licht en draai mijn hoofd naar het raam. Het silhouet van Orvieto steekt scherp af tegen de vurige avondhemel; de oude stad prijkt op haar rots en knipoogt naar me met oranje lichtjes. Op die rots woon ik al ruim een maand in een eenkamerappartement, studeer ik Italiaans, heb ik Jonathan ontmoet. Is hij ook aangereden? Gewond? Even trekt mijn maag samen. Hij is een van de weinige mannen sinds ik weer alleen ben die niet zijn best deed om mij zo snel mogelijk in bed te krijgen. In het begin voelde ik me bijna beledigd, maar na een paar dagen ontspande ik. Jonathan had interesse in mij om hoe ik dacht, om wat ik zei, niet om hoe ik eruitzag. Toch voelde ik me mooi bij hem. De vraag of er meer kon groeien dan vriendschap leek niet relevant wanneer we door steegjes tussen tufstenen huizen wandelden, langs bloemrijke balkonnetjes, onder wapperende was aan hooggespannen lijnen. We lachten samen om de taalfouten die we maakten, terwijl we een bord pasta of een glas wijn bestelden. Of om de busladingen toeristen die kwetterend door de hoofdstraat achter hun gids aan stiefelden om zo snel mogelijk bij de kathedraal van Orvieto te komen. Of gewoon omdat de herfstzon warm was en we in Italië waren. Waar is hij?

De deur gaat open en de lamp in de kamer springt aan.
'Hé zus, wat is er? Ben je niet blij me te zien?' Erik ruikt naar zeep en ziet er uitgerust uit.
'Ja, natuurlijk wel. Heb je geslapen?'
'Ik heb vanmorgen een hotelkamer gehuurd, ben in bed gevallen en heb tot vier uur in dromenland verkeerd. Ik voel me weer mens. Hoe gaat het met jou? Je klinkt iets beter.'
'Ik ben net wakker.' Ik rek mijn nek en rol voorzichtig met mijn schouders. 'Mijn hoofd doet iets minder pijn.'
'Dat is fijn.' Zijn kus komt op mijn neus terecht. 'Trouwens, Bianca en de kinderen wensen je beterschap.'
'Lief. En mama? Heb je haar iets gezegd?'
'Nee, ik wilde haar niet ongerust maken. Bovendien is ze de afgelopen maand weer verder achteruitgegaan. Verleden week herkende ze me niet eens.'
'Arme mama.' De laatste keer dat ik haar zag, lachte en zwaaide ze naar me vanachter het raam van het zorgcentrum, terwijl ik wegfietste.
'Heb je vandaag met een arts gesproken?'
'Nee, geen dokter gezien. Heb je nog gevraagd naar Jonathan?'
'Ja.' Een schaduw glijdt over zijn gezicht.
'En?'
'Sorry, zusje. Hij heeft het niet gered.'
'Hoe bedoel je?'
Hij ontwijkt mijn blik.
'Nee, Erik, dat kan niet. Ik heb hem gehoord.'
'Lieverd, ik heb met een van de ambulancebroeders gesproken. Jonathan lag een meter of tien bij jou vandaan en was waarschijnlijk op slag dood. Hij heeft niet geleden, Karen.'
Kramp trekt door mijn buik. Jonathan kan niet dood zijn. Ik heb toch zijn hand in de mijne gezien -
'Was er nog iemand anders bij?'
'Dat weet ik niet. De schoft die jullie aanreed, is doorgereden, dus die kun je niet gehoord hebben.'
De hand, de stem - die Nederlands sprak – heb ik me het verbeeld? En het anker? Ik open mijn rechterhand: leeg. Wacht eens - ook de gouden ring die Roy me voor ons vijfjarig huwelijk cadeau heeft gedaan is verdwenen. 'Erik, waar zijn mijn spullen?'
'Geen idee.' Hij trekt het kastje naast het bed open. 'Hebbes. Tenminste, als deze tas van jou is.' Hij houdt mijn bovenmaatse namaak Louis Vuitton omhoog.
'Ja, die is van mij. Wat zit er in?'
Hij schudt de inhoud uit over de dunne deken. Make-uptasje, lippenstift, zonnebril, papieren zakdoekjes, mobiele telefoon, een plattegrond van Orvieto, visitekaartjes, kassabonnetjes. Maar geen sieraden, noch portemonnee of paspoort.
'Er ontbreekt nogal wat.'
'Ze zullen je vast niet bestolen hebben.'
'Buona sera.' Een etenswalm voor zich uit stuwend, stapt een verpleegster met een dienblad de kamer binnen. 'Ha fame, la signora?'
Honger? Niet echt. 'Eh, mi scusi - weet u waar mijn sieraden zijn?
'De waardevolle zaken worden altijd nella cassaforte gelegd, signora.'
Ik slaak een zucht van verlichting. 'De rest ligt in een kluis.'
'Oké, die moeten we morgen dus niet vergeten.'
'Morgen, hoezo?'
Erik glimlacht. 'Je denkt toch niet dat ik je hier achterlaat? We vliegen morgen naar Schiphol. Er is plek voor jou in het VU Medisch Centrum. Ik wacht alleen nog op de officiële toestemming van de artsen hier.'
Terug naar Nederland. De rest van mijn onbetaald verlof thuis doorbrengen. Amsterdam. Mijn baan weer oppakken. Mijn leven. Alsof er niets gebeurd is. Maar er is wel iets gebeurd, al begrijp ik niet wat.
'En... Jonathan? Waar is hij nu?'
Erik schraapt zijn keel. 'In het mortuarium.'
'Is er familie?'
'Sorry, ik heb niet doorgevraagd.'
Een rappe roffel op de deur doet ons opkijken. 'Signora Prins, Karen?' In de deuropening staat een carabiniere in een zwart uniform, een pistool op zijn heup.
'Dat ben ik.'
Hij zet zijn pet af en treedt de kamer binnen. 'Wij verrichten onderzoek naar de omstandigheden van het ongeluk waar u bij betrokken was. Spreekt u Italiaans?'
'Si, redelijk.'
'Mag ik u een paar vragen stellen?'
'Si... maar ik herinner me niet veel – alleen dat we langs de kant van de weg wandelden.'
'Aan welke kant liep u, gezien uw looprichting?'
'Eh, aan de linkerkant.'
'U herinnert zich niet dat een auto u tegemoetkwam?'
'No. Het spijt me.'
'Maakt u zich geen zorgen, signora. En de persoon met wie u samen was – kende u hem goed?'
'Jonathan? We doen... deden dezelfde taalcursus. Ik heb hem een maand geleden ontmoet en we werden vrienden.'
'Dan heb ik een verzoek.' Hij friemelt aan de pet. 'We hebben contact gezocht met familieleden in Nederland, maar niemand kan op korte termijn hiernaartoe komen om hem te identificeren. Zou u zich in staat voelen om dat te doen?'
Ik zoek Eriks ogen. Hij haalt zijn schouders op.
'Sì, ik wil Jonathan zien.'
'Grazie. Ik zal het verplegend personeel informeren.' Hij kijkt op zijn horloge. 'Dat wordt waarschijnlijk morgenochtend. Arrivederla, signora.' De man zet zijn pet op, draait zich op zijn hakken om en beent weg.
Erik kijkt hem na. 'Waar ging dat over?'
'Morgen ga ik Jonathan identificeren.'
Zijn blik schiet terug naar mij. 'Karen, weet je dat wel zeker?'
Ik weet helemaal niets zeker en juist daarom moet ik hem zien. Ik knik.
Mijn broer veegt een traan van mijn wang. 'Wil je wat eten?'
'Nee, ik heb geen trek. Wil jij het?'
Hij tilt het deksel op. 'Bouillon... geraspte kaas, brood.' Hij dekt het eten weer af. 'Sorry, ik denk dat ik een pizzeria opzoek. Kun jij weer slapen. Is het goed dat ik nu ga?'
'En m'n appartement? M'n kleren, m'n tablet –'
'Geef me het adres en ik zal zorgen dat alles in orde komt.'
'Het visitekaartje moet daar ergens tussen liggen.' Ik wijs op de rommel uit mijn tas die nog op bed ligt. 'Palazzo del Cardinale. De eigenaresse heet Elvira. Ze zal zich wel afvragen waar ik uithang.'
'Dat zal ik haar dan morgenochtend uitleggen.' Erik doet de spullen terug in mijn tas. 'Hou je taai, zusje. Tot morgen.'

Golven spatten in mijn gezicht, mijn voeten zoeken vaste grond maar vinden niets en ik zak onder water waar schaduwen op me afkomen, me omcirkelen. Ik draai om mijn as en wiek met mijn armen om ze weg te jagen. Tevergeefs. Omhoog moet ik, omhoog. Ik snak naar adem en schop met mijn benen. Het wordt donker, alles doet pijn, mijn longen barsten. Dan vinden mijn handen houvast, rijs ik op uit het water dat van mij afstroomt en daal ik neer op een rots. Ik lach, ik schater, ik dans, tot ik zie dat de zee wemelt van de lichamen. Mensen. Sommigen zijn in paniek, schreeuwen om hulp, anderen zwoegen en hijgen of zwemmen met krachteloze slagen.
'Gooi het anker,' beveelt een stem. Maar het anker dat in mijn handpalm ligt is veel te klein. 'Gooi,' herhaalt hij.
'Geloof jij in die onzin?' Mijn vaders stem druipt van minachting voordat hij snuivend onder water verdwijnt. Erik houdt watertrappelend zijn gezin boven water en Roy staart me verwijtend aan voordat hij kopje onder gaat.
Ik struikel, val en schuif op mijn buik richting het water, waar de schaduwen onder de oppervlakte loeren. 'Nee!' Ik klauw in de rots die verkruimelt tot zand dat tussen mijn vingers doorglijdt. Het anker - met een zwaai werp ik het weg en boven de golven verandert het in een adelaar die met zijn klauwen mensen oppakt en ze een voor een op de rots zet. En de rots raakt niet vol.
Het zand onder mij is weer steen geworden. Een hand sluit om de mijne en helpt me overeind. Jonathan? Nevel vervaagt alles om me heen. Ik staar –

'Signora Karen.' Iemand tikt op mijn arm.
Ik schud de hand van me af. 'Laat me!'
'Signora, wakker worden, per favore.'
'Jonathan?'
'Buon giorno.' Een jonge verpleegster plaatst een kamerscherm naast mijn bed en slaat de deken terug. De arts komt u zo onderzoeken, maar eerst ga ik u lekker opfrissen.'
De droombeelden wijken voor de werkelijkheid die met een zurige lucht mijn bewustzijn binnendringt. Het meisje geeft geen krimp. 'Uw broer heeft net schone kleding gebracht.' Ze koppelt het infuus los, ontdoet mij van de ziekenhuiskleding en knijpt een doekje boven een teiltje water uit.
Ik probeer met een hand de deken over mijn onderlijf te trekken en met de andere mijn borsten te bedekken. 'Per favore, mag ik het zelf doen?'
'No, het spijt me, daar is geen tijd voor. De dokter kan elk moment komen.'
Een paar minuten later lig ik met een warm hoofd in een oud T-shirt en een slobberbroek waar zelfs mijn gipsbeen in past.
'Spiegel?'
Ze aarzelt even. In één oogopslag begrijp ik waarom. De linkerkant van mijn gezicht is paars en opgezet. De iris in mijn linkeroog steekt lichtblauw af tegen de bloeding in het oogwit. Mijn blonde haar sliert vettig langs mijn slapen. Tranen biggelen over mijn wangen.
Jonathan, waarom ben je weggegaan?

De verpleegster legt een wit plastic zakje op het bed. 'Ecco, uw waardevolle spullen.'
Ik gluur erin. Portemonnee, paspoort...
'Attenzione, ik breng u nu naar het mortuarium.' Het bed komt in beweging en ik duw het zakje onder de deken.
In de hal staat de carabiniere. Hij tikt aan zijn pet. 'Signora, buongiorno. Mi scusi, de autopsie is nog niet afgerond. Over tien minuten kunnen we naar binnen, heeft men mij gezegd.'
De verpleegster laat ons alleen in een misselijkmakend geurenmengsel van wierook, ontsmettingsmiddelen en een weeë lucht die ik niet thuis kan brengen. Ik veeg mijn klamme handen af aan mijn broek. De enige dode die ik ooit gezien heb was mijn vader – in een kist in het uitvaartcentrum. De snikken die toen vanuit mijn borst omhoog stuwden hadden de plechtige stilte ruw verbroken.
'Karen.' Erik, gelukkig. Zijn hand op mijn schouder.
Een man in groene kleding slentert de hal in. Hij stroopt zijn blauwe handschoenen af en trekt zijn mondkapje omlaag. 'U kunt de overledene nu bezoeken.'
Erik manoeuvreert het bed de krappe kamer in. Pas als hij stilhoudt, kijk ik op. Eén blik is genoeg om het beeld in mijn geheugen te etsen. Het is niet de Jonathan die ik ken, de Jonathan met de rode krullen en de brede lach, die bruist van leven, met wie ik onder de sterren wandel en in de regen jog. Nee, deze Jonathan ligt roerloos op een metalen tafel onder een laken waar alleen zijn hoofd strak en bleek onderuit steekt, zijn haar glad achterover gekamd, zijn sproeten vervaald. Eén blik. Mijn adem stokt en ik knijp mijn ogen dicht. 'Erik, haal me hier weg. Alsjeblieft.'
In de hal houdt de carabiniere ons tegen. 'Signora, bevestigt u dat dit het lichaam van De Wit, Jonathan is?'
'Si.' Het is alleen zijn lichaam. Jonathan zelf is verdwenen.
'Dan heb ik uw identiteitsbewijs nodig.'
Ik haal het zakje onder de deken vandaan en vis mijn paspoort eruit. Terwijl de man mijn gegevens op een formulier kopieert, springt een vraag op. 'Wie heeft eigenlijk de ambulance gebeld?'
Hij kijkt op van zijn formulier. 'Daar kan ik helaas niets over zeggen zolang het onderzoek niet afgerond is. Als u wilt, kunt u later een kopie van het politierapport opvragen.'
'Grazie. Spoort u alstublieft de schuldige op.' Ik klem mijn kaken op elkaar. En sluit hem levenslang op.

Op de overdekte parkeerplaats voor de spoedeisende hulp overhandig ik Erik het plastic zakje. 'Wil je kijken of alles erin zit?' Mijn stem trilt, net als mijn handen.
Hij bestudeert de inhoud. 'Paspoort, portemonnee... horloge, een ring, twee oorbellen... dat is het.'
Ik bijt op mijn lip.
'Ontbreekt er iets?'
'Nee, ik dacht... ach, laat maar.'
'Oké, Karen, goede reis. Ik zie je over een paar uur bij de gate.'
Twee ambulancebroeders tillen mij behoedzaam van het bed op een brancard en schuiven me de ambulance in. Hun luidruchtige gesprek stopt wanneer een van hen ook instapt, de deuren met een klap dichtgooit en naast me komt zitten. Hij glimlacht naar me, maar zijn ogen spreken medelijden. Ik wend mijn gezicht af.
De motor start. Zonnestralen worden gefilterd door het melkglazen raam. Ciao Orvieto. Addio Jonathan. Einde droomreis.
Net als we langzaam wegrijden, roept een vrouwenstem en de ambulance stopt. De deuren gaan weer open; het meisje dat me gewassen heeft verschijnt in een halo van licht en strekt haar geopende hand naar mij uit. Ze hijgt een beetje. 'Signora, is dit van u? Ik vond het op de grond voor de kluis.' In haar palm glanst een glad, gouden ankertje.
Kippenvel golft van mijn kruin naar mijn tenen. 'O, grazie mille.'
Als in een vertraagde opname glijdt het sieraad van haar hand in de mijne. Onmiddellijk sluit ik het op in mijn vuist.
Niet loslaten. Nooit.

Houvast © Milly Born

Voortuin - Sandra Bernart

Dit verhaal is geschreven voor een schrijfwedstrijd met als thema 'Kempische kanjers: over wonen en leven in de Kempen, toen en nu'.

'At the kassa you know the price,' zegt een mevrouw, die ik passeer bij de groenten- en fruitafdeling.
Met een accent dat ik niet direct kan thuisbrengen, antwoordt een jongeman: 'Thank you.' Hij legt een tiental losse tomaten in zijn karretje.
Ik wijs hem de plastic zakjes aan, trek er een van de rol en doe er een trosje druiven in. Hij kijkt ernaar en legt nog meer losse tomaten in zijn kar. De jongeman draagt een ouderwetse trainingsbroek en een T-shirt met korte mouwen. Ik heb mijn winterjas aan.
De schappen zijn volgestouwd met paaseitjes en chocolade paashazen. Uit de speakers klinkt Guus Meeuwis. Ik neurie het refrein mee, met in mijn hoofd de versie die mijn dochter als kleuter altijd vol overtuiging zong: Dan denk ik aan Brabant, waar Brabant toch ligt.
Bij de kassa sluit ik achter de jongeman aan in de rij. Hij legt de tomaten een voor een op de band, samen met een fles cola. Rollend bereiken zijn boodschappen de kassa.
'Waren de zakjes op?' vraag het meisje achter de kassa.
De man haalt zijn schouders op.
Ze pakt een zakje vanachter haar kassa en houdt het omhoog. 'Do you want a bag?' Ze spreekt de woorden overdreven luid en langzaam uit.
Hij zegt niets, waarop ze met een zucht zelf de tomaten in het zakje doet.
'Where are you from?' vraag ik hem.
Twee opvallend heldere ogen kijken me aan. 'Syria,' antwoordt hij.
'Are you living in Budel, now? At the refugee center?'
'Yes, Syria no safe anymore.'
'I know,' zeg ik. En tegelijkertijd besef ik geen idee te hebben van hoe het is om te leven in een onveilig land. Ja, laatst voelde ik me niet zo op mijn gemak, nadat ik bij het verkeerde metrostation uitstapte en in het donker door een vage buurt in Rotterdam liep. Van daadwerkelijke dreiging was geen sprake. Maar de natte straten, een groepje luidruchtige jongelui en de flikkerende neonreclame suggereerden gevaar. De latere Intercity terug naar het zuiden voelde als een warme jas.
'Do you like it here?'
'I miss family, but here is good. Here safe.' Hij haalt een opgepropte tas uit zijn trainingsbroek en stopt zijn boodschappen erin. Er staat een logo op van Bibliotheek De Kempen. Met een vriendelijk knikje zegt hij: 'Bye.'
'Bye.' Have a nice stay wil ik nog zeggen, maar ik slik mijn woorden in. Hij is hier niet op vakantie.
Zonder enige haast loopt hij de winkel uit. De tas over zijn schouder.
'Je moet voor ze oppassen, ze zijn brutaal hoor,' zegt het meisje achter de kassa. 'Laatst liepen er een paar gewoon door onze voortuin.'
'Goh,' zeg ik.
Een blik op mijn horloge. Over drie minuten moet ik op het schoolplein staan. Dat ga ik redden. Ik reken af.
Tegenover de winkel zit de Syriër op een bankje, zijn tas naast zich. Hij zet de fles cola aan zijn mond. Ik krijg een koude rilling over mijn lijf bij het zien van zijn blote armen en zet mijn kraag omhoog. Hij zwaait naar me als ik op mijn fiets stap. Ik zwaai terug.
Als ik een kwartier later met de kinderen op weg naar huis weer langs het bankje fiets, is het leeg. Uit de prullenbak steekt een lege colafles. Er zit nog statiegeld op, schiet er door me heen. De meiden slingeren voor me uit. In voortuinen staan narcissen in volle bloei, keurig in groepjes. De knoppen in de bomen staan op het punt om open te breken. Sommige tuinen hebben uitnodigende kronkelpaadjes. Ze zijn begrensd door een laaggesnoeide buxushaag of een sierhekje. Een vanzelfsprekende afbakening van ons domein. Ik denk aan de gruwelijke beelden op het journaal over Syrië, waar hele dorpen met geweld worden veroverd, zonder rekening te houden met buxushaagjes en ik glimlach om de onbezorgde kneuterigheid van mijn eigen volk.
De overbuurman veegt zijn stoep. Ik groet hem in het voorbijgaan. Hij dept zijn voorhoofd met een zakdoek en zwaait ermee.
De meiden zetten hun fiets in de garage, laten hun jassen op de grond vallen op de plek waar ze hem uitdoen en rennen naar de voorraadkast. 'Mam, mogen we iets lekkers?' vragen ze nog netjes, voordat ze met hun handen in de koekjestrommel graaien.
Het is fris in huis. Ik leg mijn hand op de radiator onder het raam. IJskoud. Met beide handen wrijf ik over mijn bovenarmen. Mijn sjaal houd ik nog even om. De overbuurman is gestopt met het vegen van de stoep, precies op het punt waar zijn tuin ophoudt en die van zijn buurman begint. Het heeft iets pinnigs. Maar waar leg je de grens? Bij de volgende buurman? Hij kan moeilijk de hele buurt vegen.
Op het moment dat ik me wil omdraaien, zie ik in mijn ooghoeken iemand wandelen. Zijn blote armen stralen kracht uit. Hij heeft iets in zijn handen. Als hij dichterbij is, zie ik wat het is. Een bosje narcissen. Er bungelen nog wat zanderige bloembollen aan. Zodra hij ons huis passeert, klop ik hard tegen het raam. Hij kijkt op, ziet me en steekt vol trots de narcissen in de lucht. Daarna ruikt hij eraan.
Ik steek mijn duim op en glimlach.
Mijn sjaal knoop ik los. De kilte is verdwenen.

Voortuin © Sandra Bernart